|
![]() |
| Zachariël> Artikel |
|
Laatste Update: 17 juni 2006 De kruistocht in de gezondheidszorg tegen de alternatieve geneeskunst Vrijheid van geneeskunde Door EB van Loon Alternatieve geneeswijzen zijn in brede lagen van de Nederlandse
bevolking een normaal verschijnsel. 40% van de Nederlanders maakt er
op de een of andere manier gebruik van. Homeopathische en antroposofische
artsen zijn officieel geregistreerd en daarnaast bloeit een sector met
een breed spectrum aan alternatieve therapieën. Zorgverzekeraars
houden hier rekening mee en bieden aanvullende pakketten waarin tal
van alternatieve behandelingsmethoden worden vergoed. Vrijheid van geneeskunde Er bevinden zich uiterst zelfgenoegzame mensen onder de leden van de vereniging tegen Kwakzalverij. Ik citeer de heer Frits van Dam, emeritus hoogleraar psychologie en secretaris van de vereniging: “Kwakzalvers zijn aanbieders van behandelingen die onvoldoende zijn onderzocht op effectiviteit en veiligheid. (…) De gemiddelde kwakzalver wil zichzelf in alle bescheidenheid nog wel eens vergelijken met Galileo Galilei, die immers ook niet de waarheid mocht zeggen.” (1) Galileo is inderdaad een perfect voorbeeld van één van de kernpunten waar het hier om draait. De heer van Dam heeft echter de klok horen luiden, maar weet niet waar de klepel hangt. Alvorens hier verder op in te gaan, is het van belang om het begrip vrijheid van geneeskunde te introduceren. Dit raakt aan twee basisprincipes; enerzijds gaat het over het recht op vrije wetenschapsbeoefening, anderzijds betreft het de keuzevrijheid van een patiënt om zelf te bepalen wie er aan zijn of haar lijf mag komen.(2)
Nemen we allereerst het aspect van de vrije wetenschapsbeoefening. Wetenschap houdt zich, grosse modo, bezig met de zoektocht naar waarheid. Door de geschiedenis heen heeft men zich beziggehouden met de vraag die daar een cruciale rol in speelt, namelijk; kan de mens tot kennis van achterliggende vormgevende principes (geest, ideeën) van de wereld komen, die als oorzaak ten grondslag liggen aan de verschijningsvormen in mens en natuur (materie)? Elke periode in de geschiedenis kent zijn dominante opvattingen en uitgangspunten ter beantwoording van deze vraag, die op den duur weer veranderen. Interessant daarbij is dat bijna alle grote uitvindingen zijn gedaan door mensen, die tegen de dogma’s van hun tijd in gingen. In vroegere eeuwen leidde dit tot vervolgingen, zoals Galileo ondervond, maar met de scheiding van kerk en staat zijn er grondrechten gekomen die onder meer de vrije (medische) wetenschapsbeoefening dienen te beschermen. Concreet betekent dit, dat geen enkele zienswijze op wat waar is, verboden mag worden. Vervolgens staat het een ieder overigens uiteraard vrij om bepaalde visies knettergek te vinden. In debatten kunnen deze verschillende denkwijzen met elkaar strijden om de vraag wie nu de waarheid in pacht heeft. Maar één bepaalde stroming mag zich daarbij niet het recht voorbehouden om de uitgangspunten voor discussie met anderen te formuleren. Het tweede grondrecht, keuzevrijheid van de patiënt, houdt in dat mensen zelf mogen beslissen wie of wat er aan (of in) hun lijf komt. Dit geldt ook voor de wijze waarop ze behandeld willen worden. Consequenter geredeneerd impliceert het dat elk mens, vanuit zijn eigen mens- en wereldbeeld, mag bepalen wat hij het beste acht voor zichzelf. Een patiënt die bijvoorbeeld het lichaam en haar functies als een machine ziet, heeft het recht op een behandeling door een genezer die vanuit die uitgangspunten te werk gaat. Een andere patiënt, die de mens beschouwd als een holistisch wezen, heeft het recht om voor zijn kwaal een genezer te zoeken die in zijn werkwijze aansluit bij dat holistische mensbeeld. Dat anderen (na afloop) oordelen dat het een foute keuze is geweest, verandert hier niets aan. Een mens heeft ook het recht foute keuzes ten aanzien van zichzelf maken. Tot zover de twee grondrechten die samen vrijheid van geneeskunde vormen. Laten we nu kijken naar de huidige wetenschappelijke medische aannames en werkwijze en deze vergelijken met een niet-reguliere zienswijze- en methodiek. Wetenschapsdogma’s & de gevolgen voor de medische praktijk Onze huidige wetenschappelijke dogma’s vinden hun oorsprong in de 17e eeuw, in het bijzonder bij de wetenschapper-filosoof Francis Bacon. Over de zoektocht naar waarheid was zijn centrale boodschap dat de wetenschapper in het geheel niet afhankelijk is van de (platonisch-aristotelische) kennis van de ideeën. Zijn opgave zou juist veel meer liggen in het waarnemen en experimenteren, niet de “hoge vlucht der ideeën”.(2)
Waar Bacon nog aangaf dat het niet nodig is, de ideeën te kennen, kwam later het dogma van het feitelijk niet bestaan van dergelijke te kennen oorzakelijke principes. Uit dit specifieke mens- en wereldbeeld komen de huidige gangbare uitgangspunten van de wetenschap voort: · Er zijn geen, vanuit het geheel werkende vormgevende krachten
aanwezig; Alle vormen in de natuur, inclusief de organismen, moeten
vanuit de deeltjes en hun werkingen verklaard worden; De uitgangspunten die volgen op de eerste zijn, binnen hun eigen kader,
logisch. Omdat er vanuit gegaan wordt dat er geen geestelijke wetmatigheden
of vormgevende krachten bestaan, is de enige wijze om tot kennis te
komen kwantitatief onderzoek. Het organisme is vanuit deze optiek immers
slechts een complex systeem van in wisselwerking staande deeltjes, waarbij
de uitwerking van een specifieke ingreep in een organisme te lastig
is om te achterhalen; het moet grootschalig onderzocht worden, met uitschakeling
van alle eventuele subjectieve invloeden. Deze uitgangspunten zijn in
de medische praktijk onder andere bij de geneesmiddelenregistratie terug
te vinden. Een nieuw geneesmiddel moet, om het predikaat ‘wetenschappelijk
aangetoond’ te krijgen, eerst op een grote groep testpatiënten
wordt uitgeprobeerd. Bij de proeven is het streven om deze zoveel mogelijk
te standaardiseren. Mogelijke individuele (subjectieve) invloeden probeert
men uit te schakelen door de helft van de testgroep een placebo te geven
en het onderzoek (dubbel)blind uit te laten voeren.
Door een groep van patiënten het medicijn te onthouden, wordt de arts eigenlijk gedwongen om de eed van Hippocrates te schenden, waarin hij belooft zich voor elke patiënt maximaal in te zetten. Merkwaardig genoeg is dit een gegeven dat nauwelijks aandacht krijgt. In 2001 was er wel iets over te lezen: het betrof de zaak rond een nog niet geregistreerd medicijn dat zeer waarschijnlijk de spierdegeneratieziekte ALS kon tegengaan. Een patiënt eiste dat hij het medicijn mocht gebruiken. Zijn behandelende arts wilde wel meewerken, de Gezondheidsinspectie en de producent waren echter tegen. De rechter oordeelde uiteindelijk dat de werking ervan nog niet voldoende aannemelijk was gemaakt; de patiënt kreeg geen toegang tot het middel. Hier werden dus de individuele patiënt en zijn arts opzij gezet. (4) Deze gang van zaken is een direct gevolg van het theoretische medische raamwerk van waaruit gewerkt wordt. Want omdat het individu geen rol speelt, geest bestaat immers in principe niet en een afzonderlijk geval kan nooit kennis opleveren, is dit ook niet het geval in de praktijk. Zo ontstaat de tendens om de individuele component steeds meer uit het genezingsproces te houden. Het is ook terug te vinden in de voorschriften voor reguliere artsen, die hun patiënten in toenemende mate via vaste protocollen en algemene stappen moeten behandelen. Ziehier een voorbeeld van de boemerangwerking die ontstaat door de bestrijding van de alternatieve geneeskunst. Laten we ter vergelijking het antroposofische raamwerk nemen voor de medische zorg (daar ben ik zelf het meest bekend mee). Zij gaat er van uit, dat er wel degelijk vormgevende krachten ten grondslag liggen aan organismen, die kenbaar zijn voor de mens (onder meer door middel van het trainen van de individuele denkkracht en zelfreflectie). Vanuit deze zienswijze kan een specifieke klacht juist alleen gekend worden vanuit het grotere geheel, dat eerst bestudeerd moet worden. De ontwikkeling en vaardigheid van de arts, om een patiënt individueel te duiden, spelen hier een cruciale rol als het gaat om de kwaliteit van geneeskunde. Het is goed denkbaar, dat bij deze aanpak drie mensen met maagklachten drie (gedeeltelijk) verschillende behandelingen voorgeschreven krijgen. Samenvattend kunnen we stellen dat dogma’s en uitgangspunten voor (medisch) onderzoek voortkomen uit specifieke mens- en wereldbeelden. Afhankelijk van de uitgangspunten die gekozen worden, kan men zeer uiteenlopende werkwijzen hanteren en onderzoeken doen.
Zoals ik al in de inleiding aangaf, maakt 40% van de Nederlanders wel eens gebruik van alternatieve geneeswijzen. Bijna iedereen heeft wel een kennis die gebruik heeft gemaakt van ofwel acupunctuur, homeopathie, osteopathie, etc. Zo vanzelfsprekend als de aanwezigheid van deze verschillende mogelijkheden voor de burgers is, zo halsstarrig afwijzend blijft de gevestigde wetenschap, de overheid en zelfs het rechtssysteem in haar houding tegenover andere stromingen. Geneesrichtingen die niet aansluiten bij de gangbare dogma’s, worden als ‘niet-wetenschappelijk’ afgedaan, met in het verlengde daarvan niet zelden het predikaat ‘ondeugdelijk’ of ‘kwakzalverij’. Voor zover dit bij harde debatten blijft is daar niets mis mee; daarvoor hebben we vrijheid van meningsuiting. Maar vanaf het moment dat één norm tot maatstaf voor beleid wordt en op deze basis andere zienswijzen worden ingeperkt, is de vrijheid van wetenschapsbeoefening in het geding. Aan de hand van verschillende voorbeelden zal ik de gevolgen van deze houding voor de medische praktijk laten zien. Laten we allereerst kijken naar de situatie voor artsen die niet-reguliere
methodes gebruiken. In 1993 kwam het voorstel van de Koninklijke Nederlandse
Maatschappij voor Geneeskunde (KNMG) om artsen te verplichten eerst
de reguliere methodes toe te passen wanneer een patiënt bij hen
komt voor behandeling. Pas wanneer deze niet beschikbaar zijn, mag de
arts andere methodes toepassen. Dit streven is ten dele geautoriseerd
door de overheid. Onder andere antroposofische en homeopathische artsen
hebben zich hier in principe aan te houden bij ernstige ziekten, zoals
kanker. Handelen zij anders, dan kunnen ze voor het medische tuchtcollege
komen (waarover later meer) en kan hen de artsenbevoegdheid ontnomen
worden (5). Zonder deze officiële artsenbevoegdheid krijgen hun
patiënten geen medicijnen via de ziektekostenverzekering.
Voor alternatieve genezers zonder artsenbevoegdheid ligt de situatie
op dit moment nog anders. Sinds 1997 vallen zij onder de wet BIG (Beroepen
Individuele Gezondheidszorg). Deze wet biedt redelijk veel handelingsvrijheid,
mits men zich niet bezighoudt met bijvoorbeeld opereren. Wat de Inspectie
voor Gezondheidszorg (IGZ) betreft, is het snel gedaan met deze vrijheid.
Zonder dat hierom gevraagd was door de betrokkenen zelf, heeft de IGZ
in 2004 een rapport geschreven over de casus Sylvia Millecam, de comédienne
die in 2001 aan borstkanker overleed en niet via reguliere weg behandeld
wilde worden. Naar aanleiding van het IGZ rapport zijn tal van aanbevelingen
gedaan om alternatieve genezers wettelijk in te perken. (6) Zo heeft
inspecteur-generaal Kingma onder andere aangegeven dat hij de normen
en kwaliteitseisen die tot nu toe alleen voor de artsen- en verpleeg
beroepsgroep gelden, wil uitbreiden naar ‘ieder die zegt zorg
te verlenen’ (7) Concreet betekent dit onder meer dat een genezer
die een patiënt alternatief behandeld terwijl een reguliere behandeling
voorhanden is, de plicht heeft om zich in te spannen de patiënt
op andere gedachten te brengen. Deze mensen weten absoluut niet meer waar zij nou eigenlijk mee bezig zijn. De juridische stand van zaken De rechterlijke macht, bij uitstek het domein van waaruit grondrechten
verdedigd zouden moeten worden, speelt een gevaarlijke rol in de huidige
ontwikkelingen. Neem bijvoorbeeld het tuchtrecht. Tuchtrecht geldt voor
de beroepsgroep van artsen en verplegers. Het doel ervan is om de rechten
van patiënten en de kwaliteit van de medische stand te beschermen.
Dit is in eerste instantie een juridische zaak, maar omdat het veelal
over medisch- technische aangelegenheden gaat, zitten er, naast een
jurist als voorzitter en een jurist als secretaris, ook vier zgn.‘vakbroeders’
in het tuchtcollege. Zij dienen de vaktechnische aspecten waarop de
arts eventueel is aangeklaagd te beoordelen. In de praktijk zijn er
alleen vakbroeders in het tuchtrecht te vinden voor reguliere artsen.
Zo ontstaat de situatie, dat het tuchtcollege artsen die alternatieve
methoden gebruikt hebben, inhoudelijk toetst vanuit de eigen, reguliere
wetenschapsopvattingen en een arts op grond daarvan beoordeelt. Het
is mij niet gebleken dat tot op heden ooit een jurist die onderdeel
uitmaakte van een tuchtcollege, bezwaar heeft gemaakt tegen deze werkwijze.
Laat staan dat een rechterlijke instantie voorstellen heeft gedaan om
deze opzet te veranderen. Terwijl medische dwang wordt uitgeoefend,
die tegen de keuzevrijheid van patiënten ingaat. Ook ten aanzien van andere onderwerpen is te zien, hoe de rechterlijke macht zelf de met de vrijheid van geneeskunde samenhangende grondrechten ondermijnt. Recentelijk nog is een uitspraak gedaan betreffende de al eerder genoemde registratie van homeopathische en antroposofische geneesmiddelen. ‘Wetenschappelijke bewijsbaarheid’ (met alle eerdergenoemde bijhorende aannames en methodes) is door het gerechtshof als criterium opgevoerd om niet reguliere medicijnen die niet volgens deze methode gecheckt zijn, te weigeren.(12) Het Openbaar Ministerie heeft de afgelopen jaren meerdere malen alternatieve genezers vervolgd (zij vallen met de huidige BIG-wet niet onder het tuchtrecht). In de zaak van de macrobioot Adelbert Nelissen, waar sprake was van een terminale patiënt, die ervoor koos om niet regulier behandeld te worden, is het tot een veroordeling gekomen op basis van het argument dat hij niet heeft doorverwezen naar de reguliere gezondheidszorg en ook niet duidelijk genoeg de beperkingen van de macrobiotiek heeft aangegeven.(13) Een schandalige zaak. Ook hier is weer te zien, dat de rechterlijke macht cruciale grondrechten niet verdedigd, maar juist bevooroordeeld te werk gaat. Als een Vrouwe Justitia die haar blinddoek afgeworpen heeft en rondspeurt naar wat bij haar smaak past en wat niet. Veel mensen denken ondertussen: “Ach zo’n gekke macrobioot, best wel goed dat die aangepakt wordt.” De werking van een dergelijke rechtszaak is echter dat daarmee het strafrecht opgerekt wordt en stapsgewijs algemene grondrechten in onze samenleving afbrokkelen.
De vrijheid van geneeskunde wordt van drie kanten aangevallen. Men staat erbij en kijkt ernaar. In mijn directe omgeving, of in de media, lijkt men niet op te kijken van een overheid die aangeeft: WIJ weten wat goed voor u is! Daarachter staat een instemmend knikkende rechterlijke macht en uiterst tevreden vertegenwoordigers van de ‘echte’ wetenschap. Met het volle moderne verstand grijpt men aan het begin van de 21e eeuw terug op beproefde methoden van een paar honderd jaar geleden. Het was de kerk die het destijds als belangrijke taak zag om mensen tegen allerhande invloeden te beschermen en vooral niet zelf keuzes te laten maken. Toen verdwenen alchemisten in de martelkamers en werden kruidenvrouwtjes als heksen op de brandstapel ter dood gebracht. Wij zijn nu verlicht, dat laatste doen we niet meer, wel zou de gevangenis eventueel weer een optie zijn. Om vandaag de dag een dergelijke middeleeuwse, verketterende houding openlijk geproclameerd te zien door ministers, hoogleraren, rechters en artsen, is ronduit schokkend. Men zou het verschil tussen overheid en kerk eens in moeten leren zien. De overheid dient mensen tegen anderen te beschermen, daar ligt een belangrijke taak bij geweld, diefstal en dergelijke. Daar staat tegenover dat iedereen heeft het recht om over zijn of haar leven zelf beslissingen te nemen en keuzes te maken. Ook als deze achteraf fout blijken te zijn, of wanneer anderen er niet mee eens zijn. De huidige wetenschappelijke wereld zal met haar arrogante houding
van uitsluiting en vervolging van andersdenkenden uiteindelijk niet
verder komen in het oplossen van nieuwe medische vraagstukken, doordat
ze steeds vanuit dezelfde paradigma’s blijft onderzoeken. Ook
zal zij merken dat de sterke arm van de overheid zich op alle gebieden
van wetenschapsbeoefening meer en meer zal doen voelen. Vrijheid van geneeskunde in de praktijk? We zijn als samenleving een verkeerde richting ingeslagen. Het roer moet om. Hoe zou een en ander eruit zien als de vrijheid van geneeskunde wel vorm krijgt? Nemen we het tuchtcollege, dan zou inhoudelijke deugdelijkheidstoetsing, wanneer daar door een patiënt of andere betrokkene om gevraagd wordt, geschieden door deskundigen van de desbetreffende geneeskundige stroming. Er ontstaat zo voor iedere stroming een eigen ‘tuchtcollege’, tussen aanhalingstekens, aangezien bepaalde zaken, zoals seksueel misbruik van een patiënt door een arts, in principe bij een gewone rechter thuishoren. (15) De nieuwe tuchtcolleges richten zich dan puur op de door henzelf opgestelde medisch-technische normen. Het medische tuchtcollege zoals dat nu bestaat, houdt daarmee op te bestaan. Onvermijdelijk volgt hieruit dat het gehele systeem van de artsenbevoegdheid een andere grondslag krijgt en daardoor ook de daaraan gekoppelde wijze van financiering. De overheid doet dan een grote stap terug als het gaat om het bepalen van de specifieke inhoud van de gezondheidszorg. De vraag hoe vanuit de overheid het recht op gezondheidszorg gewaarborgd wordt, dient men hiervan te onderscheiden. In dit opzicht gaat het juist om een stap vooruit. Wat een basisverzekering is voor iemand, zal veel nadrukkelijker door de mensen zelf bepaald worden. (16) Een derde grondrecht is namelijk nog niet aan de orde geweest: het
recht op een zo goed mogelijke behandeling. Wat dit ‘zo goed mogelijk’
inhoud, is aan ieder mens om voor zichzelf te bepalen, in tegenstelling
tot de opvatting van voormalig inspecteur-generaal Kingma, die de inhoud
van wat ‘goed’ is centraal wil vaststellen (“De
norm die voor iedereen zou moeten gelden is: altijd kiezen voor de best
bewezen behandeling”). (17)
Hoe een en andere verder praktisch ingevuld kan worden, valt buiten
het bestek van dit artikel. Enige aanzetten: onderzoeksmogelijkheden
die niet tegen het derde grondrecht ingaan, zouden minstens de ruimte
mógen krijgen. Ook manieren om monopolisering van geneesmiddelen
door de farmaceutische industrie tegen te gaan zouden prima uitgebreid
kunnen worden, bijvoorbeeld door het patentrecht op medicijnen minder
absoluut te laten zijn.(19) Een leuke verbetering is ook om huisartsen
vrij vestigingsrecht te geven.(20)
Noten:
|
|||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||