printversie:
(geen PDF? klik hier)
Elementwezens
en scheppend vermogen
Tanis
Helliwell: Zomer in Ierland
Tanis Helliwell woont in Canada. In haar kindertijd
kon zij natuurwezens waarnemen, maar liet dit later rusten. Als dertiger
met een hectisch werkleven besluit ze midden jaren ’80 een zomer
in retraite te gaat in Ierland, het land van haar voorouders. Ze vind
een huisje in de uiterste noordwest hoek van Ierland, Achill Island,
alwaar ze ’s avonds aankomt:
”Naarmate mijn ogen gewend raakten aan de donker wordende kamer,
nam ik langzaam mijn omgeving in me op. Naast de haard lag een stapel
turf, een blaasbalg ernaast. Tegenover de haard stond een half verzakte
oude groene bank en daarachter een grote houten tafel met zes zeer
stevige stoelen.
Vanaf dat ik naar binnen was gegaan had ik het gevoel gehad alsof
ik wederrechtelijk iemands huis was binnen gegaan. Ik probeerde dat
gevoel opzij te schuiven, maar raakte er meer en meer van overtuigd
dat ik werd gadegeslagen. Ik liet mijn blik over de hoek gaan van
waaruit de vibraties leken te komen glijden. Met een schok merkte
ik dat er vier mensen naar me keken: een kleine man, een kleine vrouw
en twee kinderen. Ik was half verlamd van angst en zat daar met ingehouden
adem. Ik ben inderdaad iemands huis binnengelopen, dacht ik, maar
wat een rare kleren hebben ze aan. Lieve hemel, het zijn geen mensen!
In een flits dacht ik in een spookhuis beland te zijn- een gedachte
die me half hysterisch maakte. Maar voordat ik die gedachte verder
kon uitspinnen, richtte de kleine man het woord tot me. ‘We
leven al honderd jaar - in jullie tijdstermen uitgedrukt - in dit
huisje en we zijn bereid het met jou te delen, zij het op een paar
voorwaarden.’ Zijn verschijning onderstreepte het gedrag
van zijn woorden. Hij was niet langer dan één meter
twintig en gekleed in een ouderwets jasje dat vanaf zijn middel tot
boven toe een knoopsluiting had. Het jasje zat strak om zijn ronde
buik. Onder een bruine kniebroek droeg hij dikke kousen en zijn voeten
staken in grote klompen – veel groter dan zijn voeten redelijkerwijs
konden zijn. Het geheel werd gecompleteerd door een reusachtige zwarte
hoge hoed.”
Aldus begint de kennismaking met de leprechaun (spreek
uit: leprekon), de Ierse benaming voor eigenzinnige kabouterachtige
wezens. In de loop van de zomer ontstaat een soort van samenwerking
die zal resulteren in een boek. Curieus daarbij is dat wordt afgesproken
dat dit boek pas 10 jaar later zal worden geschreven. En zo geschiedde:
in 1997 verscheen ‘Summer with the leprechaun’.
De Nederlandse vertaling, 'Een zomer met het kleine volkje’
zag in 2004 het licht. (Uitgeverij Christofoor, Zeist)

Bij deze een gesprek over de verhouding tussen de leprechaun
en zaken als boeken, kleding en dergelijke in zijn wereld.
"Mijn leprechaun-vriend kwam af en toe langs als
mijn buurvrouw, mevrouw O‘Toole, er was, en die dag was er een
van. Omdat er op de bank geen plaats was, hees hij zichzelf op een
van de eetkamerstoelen en begon met notitieblok en potlood op schoot
uitvoerig aantekeningen te maken.
Toen mevrouw O'Toole vertrokken was, vroeg ik hem: 'Wat heb je
ontdekt?'
'Fascinerend, werkelijk fascinerend', zei hij, overdreven
articulerend als een echte Britse professor -een knijpbrilletje op
de punt van zijn knolneus.
Hij tikte met zijn potlood op zijn blocnote om zijn bewering te versterken
en vervolgde: ‘Als jij en die zoetekauw van een vriendin
van je samen zijn, verandert de energie rondom jullie beiden. Jouw
energie is gewoonlijk als die van een kabbelend beekje dat onrustig
rond de rotsen danst, terwijl die van haar meer op een oceaan lijkt
die komt aandeinen en dan weer wegebt. Als jullie samen zijn, word
jij meer als een oceaan en krijgt zij meer van dat beekje. Zij heeft
een kalmerende , werking op jou, terwijl jij haar ondeugendheid aanwakkert.’
'Weet je dat ze wat van ons bloed heeft?' zei hij en gluurde
daarbij over zijn brilletje.
'Van wat voor soort elementwezen?' vroeg ik. 'Ze behoort
tot een kaste waarmee je nog niet veel contact hebt gehad', antwoordde
hij. Hij duwde zijn brilletje wat verder naar achteren en strekte
zijn handen zwierig uit. 'Ze is een van de koe-mensen. Dat zijn
mensen die met allerhande soorten dieren werken. Ze weten alles wat
dieren denken en voelen.’
'Via jou breidt ze haar energieveld uit, zoals ze dat ook met
dieren doet, en dan raakt ze je op een manier zoals je ook door een
hond of een kat geraakt kunt worden. Als ze met haar koeien of haar
schaapshond is, hoeft ze niets te zeggen. Ze begrijpen elkaar woordeloos.
Zo gaat het ook tussen jou en haar. Jullie praten niet veel met elkaar,
maar breiden jullie energie tot elkaars aura uit en communiceren dan
toch met elkaar.'
Ik onderbrak hem even en informeerde: 'Is dat iets wat je al bij
eerdere gelegenheden hebt waargenomen als je er ook was tijdens het
bezoek van mevrouw O'Toole?'
'Ja', antwoordde hij. 'Ik heb haar met dieren zien communiceren
en was benieuwd of ze op jou hetzelfde effect had.'
Met een gebaar naar zijn blocnote zei ik: 'Ik ben benieuwd te
zien wat je hebt opgeschreven.’
'Nee, nee, geen sprake van', was zijn reactie terwijl hij
de blocnote tegen zijn borst drukte.
'Ik ben er vooral zo in geïnteresseerd, omdat ik er geen
idee van had dat jullie ook kunnen schrijven', zei ik en strekte
mijn hand naar het blokje uit.
Hij ging nog wat verder van me af zitten en zei, een slag om de arm
houdend: 'Wel, we kennen een bepaalde manier van schrijven.’
Om hem op zijn gemak te stellen, leunde ik wat naar achteren en vervolgde:
'Dus het komt erop neer dat jul1ie niet lezen en schrijven zoals
mensen?'
Hij ontspande wat en antwoordde: 'Inderdaad.’
Omdat ik ontzettend nieuwsgierig was, glimlachte ik mijn meest veroverende
glimlach en vroeg vleiend: 'Mag ik alsjeblieft zien wat je hebt
opgeschreven?'
'Je zult het waarschijnlijk niet begrijpen’, maande
hij voorzichtig, maar ik kon zien dat zijn weerstand wat begon af
te zwakken.
Ik realiseerde me plotseling dat zijn tegenzin om me zijn blocnote
te laten zien waarschijnlijk verband hield met het feit dat hij de
menselijke vaardigheden van lezen en schrijven niet meester was. Dat
was een gevoelige slag voor zijn trots.
'Ik ben even geïnteresseerd in elementwezens als jij in mensen’,
zei ik en zond in gedachten respect en vertrouwen naar hem.
Mijn vriend leunde naar voren en stak zijn blocnote naar me uit. Ik
pakte het aan en zag... een blanco vel papier. Ik keek hem aan en
gaf toe: 'Ik zie inderdaad niets.’
'Dat komt omdat wij elementwezens iets op de pagina denken en
bij het 'teruglezen' laat de pagina ons dan de beelden zien die wij
erop hebben gedacht', antwoordde hij en gebaarde me dat ook te
proberen.
Ik keek nog eens goed en zag toen mevrouw O'Toole en mijzelf, vastgelegd
precies op de manier waarop we hadden gezeten en hoe de dingen waren
gebeurd -het beeld bewoog als een soort hologram en was driedimensionaal,
veel indringender dan onze tweedimensionale televisiebeelden. Voor
mijn mensenogen was het nog wazig, maar ik zag het wel. Ik keek naar
mijn vriend en lachte om mijn succes.
'Niet veel van ons elementwezens doen dat -voornamelijk de geleerden
en de helers’, zei hij, eveneens glimlachend. 'Elementwezens
lezen mensenboeken op dezelfde wijze als die waarop we met jullie
communiceren -telepathisch dus. Op die manier kunnen we Frans en Duits
of welke andere taal dan ook lezen. Romans zijn voor ons makkelijker
te lezen, omdat we de beelden die de schrijver bij het schrijven heeft
gebruikt kunnen zien. Moeilijker zijn wetenschappelijke werken, tenzij
mensen bij het schrijven ervan ook in beelden denken.’
'Bovendien is schrijven in onze wereld niet zo nodig. Element
wezens kunnen wat ze maar willen denken en creëren, dus waarom
zouden ze dat willen vastleggen! Zie je, tijd en ruimte hebben voor
ons geen grenzen, dus we kunnen naar believen in het verleden of de
toekomst duiken en creëren wat we willen. Omdat mensen niet in
tijd en ruimte kunnen reizen moeten ze dingen opschrijven, vastleggen,
om ze op die manier te kunnen herinneren. Onze geleerden hebben leren
lezen en schrijven omdat mens en dat nodig hebben.’
Ik begreep nu dat de wijze waarop elementwezens lezen, schrijven en
spreken meer van doen heeft met hun geest dan met de beweging van
ogen, handen of mond. Ook besefte ik dat mensen deze eigenschappen
bij zichzelf zouden kunnen ontwikkelen als ze zich er maar in oefenden.
'Zo is het’, zei de leprechaun, 'en
dat zullen jullie in de toekomst ook gaan doen. Mensen in Atlantis
hadden dat vermogen, maar zijn dat later kwijtgeraakt. De kracht van
de geest en de kracht van de wil zijn voor alle wezens de sleutels
tot materialisatie. Mensen leven in een dichtere werkelijkheid dan
elementwezens, dus daarom moeten jullie niet alleen met de geest maar
ook met jullie lichaam werken om de dingen die jullie willen tot stand
te brengen. Over het algemeen genomen is de menselijke geest sterker
dan die van elementwezens omdat mensen met hun wilskracht de weerstand
van die dichtere werkelijkheid moeten zien te doorbreken. Dit soort
weerstand maakt mensen sterker. Helaas zijn er veel mensen met een
zwakke geest die gewoon andermans gedachten en gevoelens volgen. Die
leren niet hun eigen geest te gebruiken -dat kost ze te veel inspanning.’
'Er zijn veel meer mensen dan elementwezens die hun potentieel
niet ten volle benutten. Mensen zijn vaak te passief. Maar de mensen
die hun geest wel tot uitdrukking brengen zijn veel sterker dan bijna
alle elementwezens. Wisten ze dat maar.’
Terwijl ik de gedachtenlijn van mijn vriend al luisterend volgde,
begon ik me af te vragen of elementwezens hun lichaam eigenlijk wel
gebruiken voor het maken van bepaalde voorwerpen of producten, of
dat dit allemaal alleen maar in hun geest bestond. Dus ik vroeg: 'Maken
schoenmakers bij jullie echt fysiek tastbare schoenen, of creëren
jullie gewoon de illusie dat ze schoenen maken ?'
'Onze ambachtslieden', begon hij, 'maken dingen die fysiek
tastbaar voor onze realiteit zijn. Ze werken met zwaardere elementen
dan de meesten van ons en staan daarom het dichtst bij de mensen in
hun vermogen met de fysieke realiteit te werken. In jullie folklore,
zoals jullie dat noemen, bestaan verhalen over mensen die voorwerpen
van elementwezens krijgen die van subliem vakmanschap getuigen. Onze
ambachtslieden maken prachtige juwelen van edelstenen, goud, zilver
en koper. Sommige gilden maken wapenschilden, andere mooie boeken
met prachtige omslagen en lijsten voor de afbeeldingen.’
'Onze helers hebben een sterke geest en vragen bloemen en bomen
om extracten van hun levenssappen af te staan voor de drankjes die
ze maken om andere wezens te genezen. Gewoon door naar een boom, een
mens of een dier te kijken, weten die helers precies welk extract
dat wezen nodig heeft, en dan vragen ze dat extract ergens anders
in de natuur. Het natuurrijk geeft die extracten graag aan onze helers
omdat - door dat te doen - alles wat leeft samenwerkt met het goddelijke
plan.’
Terwijl hij sprak moest ik denken aan menselijke praktijken als homeopathie
en aromatherapie, dus ik zei: 'Er zijn ook mensen die op een dergelijke
manier genezen.’
‘Zeker, dat klopt', zei hij en knikte
instemmend. 'Werken mensen samen met het rijk der elementwezens
bij het toepassen van dergelijke methoden?'
'Inderdaad, ja', vervolgde hij. ‘Mensen doen dat
trouwens ook bij het verbouwen van voedsel. Als jullie boeren zaaien,
stellen ze zich in gedachten voor dat daar flinke planten uit zullen
voortkomen die veel graan of andere vruchten zullen opleveren. Als
ze zich dat beeld maar goed voor ogen houden, komt die voorstelling
meestal uit -vooral als het zaad sterk en de aarde vruchtbaar is en
als er precies genoeg zon schijnt -niet te weinig, maar ook niet te
veel. De boer moet met de natuur samenwerken bij het zaaien van de
aanplant. Je kunt het zaad
niet zomaar ergens in de grond stoppen. Mensen zouden heerlijk voedsel,
prachtige tuinen en gezonde bomen kunnen laten groeien als ze maar
zouden luisteren naar wat de natuur wil en het vermogen tot visualisatie
van het gewenste doel zouden ontwikkelen.’"
( Zomer met kleine volkje, blz 73-77)
Zie ook: deel 2
Voor een interview met Tanis Helliwell: klik
hier