|
![]() |
| Zachariël> Artikel |
|
2-4-2006
printversie:
Een impressie van Peter Edel’s boek ‘De schaduw van de ster’ Door EC Bakker Introductie 2006 Onderstaande toelichting van mijn hand en de daarop volgende boekimpressie verscheen begin 2003 op internet (tot 2005). De ontwikkelingen in Israël en het Midden-Oosten zijn sindsdien bepaald niet stil blijven staan. In 2003 werd onder premier Sharon begonnen met een 655 km lange afscheiding, deels muur, deels hekwerk, van de Palestijnse gebieden. De Palestijnse leider Yasser Arafat overleed in 2004. De Hamas-partij boekte begin 2006 een historische verkiezingsoverwinning op Arafat’s Al Fatah-partij. Sharon maakte dit laatste niet meer bewust mee: hij werd najaar 2005 getroffen door een beroerte en ligt sinds januari in coma. Sharon’s laatste daad was het splijten van Likud door de oprichting van de Karima-partij. Karima won onder leiding van Olmert de verkiezingen van 28 maart 2006.
De Brits-Amerikaanse inval in Irak vond plaats in maart
2003. Terwijl daar op dit moment de kans op een om zich heen grijpende
burgeroorlog met de dag toeneemt, lopen de spanningen met Iran op.
Wat de rol is geweest van Israëlische politici en militairen
bij de inval in Irak en momenteel bij de toenemende druk op Iran,
is een vraag die vrijwel niet gesteld wordt. Inzake Iran’s mogelijke voorbereidingen voor een atoombom, is het van belang kennis te nemen van Israël’s eigen atoombom en zeker ook, de verhalen over het doorspelen van Israël’s atoomkennis aan India serieus te nemen. Hetzelfde geldt voor de geruchten dat Israël zelf over chemische wapens beschikt. Over dit laatste zouden we in Nederland toch meer mogen vernemen, aangezien de Israëlische vrachtboeing die neerstortte op de Bijlmer ingrediënten vervoerde voor zenuwgas. Met andere woorden: wie met zorg de huidige ontwikkelingen in het Midden –Oosten ziet, komt niet om Israël heen. Wie Israël beter wil begrijpen moet enerzijds oog hebben voor Israël’s militair-industriële complex, anderzijds voor de grondslag van Israël als staat. Dit laatste is niet de holocaust, een van de grootste misvattingen van onze tijd, maar het zionisme. Aan beide aspecten wordt in onderstaande ruim aandacht besteed. Peter Edel (introductie 2003) Najaar 2002 verscheen bij de Belgische uitgeverij EPO
het boek ‘De schaduw van de ster, zionisme en antizionisme’
van Peter Edel. Het boek bevat fundamentele kritiek op de staat Israël
en het nauw daarmee verbonden zionistisch ideaal. In onder andere
Trouw en de NRC, (Bas Blokker), alsmede bij Barend en van Dorp werd
het boek in een kwaad daglicht gesteld. Er zijn inmiddels aardig wat
mensen die Edel voor antisemiet uitgemaakt hebben.
Peter Edel spreekt geen moment over joden in het algemeen. Hij richt zich met zijn kritiek op het zionisme; het van oorsprong 19e eeuwse ideaal van het streven naar een eigen joodse staat,ontleend aan de duizenden jaren oude belofte van het beloofde land, waar in principe alle joden ter wereld een thuis zouden kunnen vinden. Edel komt tot de vaststelling dat dit ideaal achterhaald, en in essentie mislukt is. Hij draagt een schat aan informatie aan die velen kennelijk onwelgevallig is omdat deze niet in het simpele plaatje passen van het joods slachtofferschap en het kennelijk daaruit voortvloeiende recht op lijfsbehoud c.q. een joodse staat. In de Engelstalige wereld is hieromtrent al heel wat gepubliceerd door gedegen (joodse) onderzoekers als Norman Finkelstein, Noam Chomsky en wijlen Israël Shahak. In Nederland lijkt de zelfcensuur wat sterker te zijn. Er valt op Peter Edel’s boek mijns inziens gerechtvaardigde kritiek te geven voor zover het gaat om de soms nogal ongenuanceerde ‘van dik hout zaagt men planken’ mentaliteit. Maar daarmee is voor mij de kous af. Het staat iedere journalist of wetenschapper vrij om met deze onderwerpen aan de slag te gaan en het dan maar beter te doen. De reden voor mij om onderstaande te publiceren, met
toestemming van auteur en uitgeverij, is in de eerste plaats de vrijheid
van meningsuiting. Er is echter nog een tweede reden: Israël’s
binnen- en buitenlandse politiek brengt grote risico’s met zich
mee voor de wereldvrede. Reden temeer om er maar eens flink over te
discussiëren. Impressie 1 gaat in op het vredesproces in Israël in de jaren ’90. Centraal staat het eenzijdige gedachtengoed van de vermoorde Israëlische premier en Nobelprijswinnaar Yitzhak Rabin. Impressie 2 geeft iets weer van Edel’s kijkje in de keuken van Israël’s militair-industriële complex; de atoombom, chemische wapens, de internationale wapenhandel. Impressie 3 biedt een fragment van Edel’s uitgebreide bespreking van de verschillende stromingen binnen het zionisme in de jaren voorafgaand aan de officiële oprichting van de staat Israël in 1948. Ik heb gekozen voor de economische samenwerking tussen Hitler-Duitsland en de joodse gemeenschap in Palestina in de jaren ’30. Aan de orde komt ook het beleid ten aanzien van immigratie van Duitse Joden in die tijd naar Palestina. Impressie 1 Yitzhak Rabin (1922-1995) Het `vredesproces' tussen Israël en de Palestijnen is in de laatste decennia van de 20e eeuw verbonden geraakt aan is in de laatste decennia van de 20e eeuw verbonden geraakt aan de naam van premier Yitzhak Rabin. Hij zal samen met zijn socialistische partijgenoot Shimon Peres de geschiedenis ingaan als de `architect van de vrede', omdat onder zijn leiderschap de Oslo-akkoorden zijn gesloten met de PLO. Er bestaan veel misverstanden over Rabin, o.a. dat hij uit humanistische overwegingen tot zijn denkbeelden over het principe van `land voor vrede' kwam. In werkelijkheid is het beleid van Rabin altijd in de eerste plaats gericht geweest op de belangen van de joodse staat. Bij verschillende gelegenheden verklaarde hij dat het zionisme zich alleen om joden hoefde te bekommeren. Dat hij de Palestijnen niet echt een warm hart toedroeg, kwam niet alleen naar voren in zijn politiek van `gebroken beenderen' tijdens de intifada eind jaren tachtig. Daarnaast zijn de gedachten van Rabin over Palestijnen in tal van ongenuanceerde uitspraken naar voren gekomen. Hij verklaarde ooit: “Het zou mij niets kunnen schelen, mocht de Gaza strook in zee verdwijnen.” De militaire carrière van Rabin doet al evenmin
veronderstellen dat zijn politiek veel met humanisme te maken had.
Kort na de stichting van de staat Israël voerde hij het bevel
over een onderdeel van de Palmach, de commando's van de Hagannah.
Rabins superieuren in de Palmach waren volgelingen van Yitzhak Tabenkin,
de leider van Le' ahdut Ha'a-voda. Deze organisatie streefde na het
ontstaan van Israël naar gebieds-uitbreiding en had veel invloed
op linkse zionisten. Als Palmachcommandant was Rabin verantwoordelijk
voor het opblazen van huizen in Palestijnse dorpen, zoals in Bidu,
Bet en Surik.
In 1967 was Rabin bevelhebber van de Israëlische strijdkrachten tijdens de historische overwinning van Israël in de Zesdaagse Oorlog. Volgens de Israëlische publicist Israël Shahak had Rabin op zichzelf niet zoveel met deze overwinning te maken. Maar dat nam niet weg dat hij de held van de joodse lobby in de VS werd, toen hij enige tijd later als Israëlisch ambassadeur naar Washington kwam. Met de winst van 1967 ontstond de vraag hoe Israël de Arabische bevolking in de nieuw bezette gebieden voortaan moest controleren. Volgens Rabin deed de joodse staat er verkeerd aan om met een groot aantal soldaten tot een `conquest from the inside' te komen. Dit was volgens hem verre van doeltreffend. In plaats daarvan zag hij meer in een `domination from the outside'. Hij stelde voor dat joodse nederzettingen en het Israëlische leger de Palestijnse dorpen en steden zouden omsingelen, waarbij hij de directe controle over de bevolking wilde overlaten aan de Palestijnse autoriteiten. Ook andere Israëlische politici wilden Palestijnen door Palestijnen laten controleren. Toenmalig minister van Defensie Moshe Dayan, de `man met het lapje voor het oog', dacht er in 1967 ook al ongeveer zo over. De Israëlische bezettingsmacht onder zijn bestuur wees toen vooraanstaande Palestijnen aan als tussenpersonen in de bezette gebieden. Van hen wist de Palestijnse bevolking dat zij op goede voet stonden met de Israëlische autoriteiten. Verzoeken aan Israël konden via dergelijke tussenpersonen plaatsvinden. Tegelijk stelden deze figuren hun politieke en sociale invloed onder de Palestijnen in dienst van Israël. Vooral tijdens de jaren waarin Dayan in de regering zat, werkte dit systeem goed en ook daarna was het nog jaren efficiënt. Dat veranderde begin jaren tachtig. De toenmalige minister van Defensie Ariel Sharon, maakte toen een einde aan de rol van de Palestijnse tussenpersonen. Hij verving hen door zogenaamde ‘Village Leagues', waarin nogal wat onzuivere elementen uit de Palestijnse gemeenschap zitting hadden. Een grote verandering kwam op gang met het uitbreken van de Intifada in 1987. Door deze Palestijnse opstand tegen het Israëlische gezag was het niet meer mogelijk Palestijnen door Palestijnen te laten controleren. Voor de Israëlische leiders was dit een niet gering probleem. Om de bezette gebieden te beheersen moesten zij grote aantallen soldaten inzetten die het vervolgens erg moeilijk kregen de zaken in de hand te houden. Israël hield deze soldaten liever achter de hand voor een `echte' oorlog. Bovendien begon de inzet van al deze soldaten behoorlijk in de papieren te lopen. Tijdens het hoogtepunt van de intifada eind jaren tachtig waren zo'n 180.000 soldaten nodig voor het bedwingen van de opstand, terwijl daar eerder maar zo'n 15.000 Israëlische soldaten waren gelegerd. De Israëlische politiek wilde daarom terug naar de situatie van voor het uitbreken van de Intifada. Rabin’s ‘domination from the outside’-strategie kreeg daarmee een grote actualiteit. Om Rabins plan te kunnen uitwerken moest er overleg komen met de PLO. Voor de Israëlische politiek betekende dat een totale omslag. Eerder was alleen het denken aan contacten met de PLO al taboe. Ook tijdens de regering van Yitzhak Shamir waren onderhandelingen over autonomie met de PLO nog onbespreekbaar. De druk van de Amerikaanse president George Bush in 1992 om tot onderhandelingen met Yasser Arafat te komen, dreef Shamir tot wanhoop. Maar het aantreden van Rabin datzelfde jaar opende de weg naar nieuwe mogelijkheden.
De latere Oslo-akkoorden vloeiden direct voort uit zijn aanpak. De wereld was vol van het `hoopvolle vredesproces' toen Rabin en Arafat elkaar in aanwezigheid van Bill Clinton de hand drukten. Toch zag de werkelijkheid er minder rooskleurig uit. Want in de praktijk viel de autonomie in de Palestijnse gebieden zoals Rabin zich die voorstelde, het best te vergelijken met de thuislandenpolitiek van Zuid-Afrika. Daarnaast deed het onder voorwaarden toekennen van autonomie denken aan de anti-joodse strategie van christelijke machthebbers tijdens de Middeleeuwen in landen als Polen en Spanje.` Door afspraken met de PLO te maken zorgde Rabin voor de stabiliteit in de regio die Israël nodig had om de hegemonie over het Midden-Oosten veilig te kunnen stellen. Daarnaast verloste Palestijnse autonomie de leiders van de joodse staat van een aantal zorgen. Zo hoopten de Israëlische leiders dat de internationale gemeenschap hen op deze manier niet langer verantwoordelijk zou stellen voor de mensonwaardige omstandigheden waaronder veel Palestijnen leefden. Rabin vond in Yasser Arafat een geschikte partner. In ruil voor geld en macht was de voorzitter van de PLO maar al te graag bereid zijn eigen achterban te controleren. Voor Arafat kwam deze regeling als geroepen. Eind jaren tachtig ontving de PLO nog ruime financiële bijdragen van Saoedi-Arabië, maar de Golfoorlog maakte daar een einde aan. De Saoedi's kozen toen de zijde van de VS, terwijl Arafat zijn steun uitsprak aan Saddam Hussein. Saoedi-Arabië draaide vervolgens de geldkraan dicht, waardoor de PLO op zwart zaad kwam te zitten. Arafat was daarom geïnteresseerd in ieder Israëlisch voorstel dat geld kon opleveren. Voor de meeste Palestijnen veranderde het vredesproces niet veel. De Palestijnse elite profiteerde onder aanvoering van Arafat weliswaar van de ontwikkelingen, maar voor de overige Palestijnen was de enige verandering dat zij voortaan onderdrukt werden door hun eigen autoriteiten in. plaats van door de Israëlische. Rabin maakte absoluut geen probleem van Arafats dictatoriale trekken. Integendeel, alleen als de PLO met strakke hand over de Palestijnse gemeenschap bleef heersen, viel er met Rabin over autonomie te praten. De PLO gaf hier gevolg aan door de vrijheid van meningsuiting onder Palestijnen aan banden te leggen en kritiek te onderdrukken. In november 1999 arresteerde de Palestijnse politie bijvoorbeeld negen vooraanstaande Palestijnen, omdat zij het waagden in een manifest kritiek te uiten op het bestuur van de PLO en de gang van zaken rond het vredesproces. Tekenend voor de situatie was dat in Israël geen kritiek hoorbaar was op deze maatregel. Verder drong Rabin aan op een totale controle van de Palestijnse media. Aldus was het mogelijk de Palestijnen bezig te houden met relatief onbelangrijke kwesties, terwijl de zaken waar het om draaide, onbesproken bleven. In economisch opzicht kwamen de autonome Palestijnse gebieden eveneens onder Israëlische supervisie te staan. Voor de groenten van de Palestijnen kwam West-Europa niet in aanmerking als afzetgebied. Bovendien produceerden landen als Jordanië en Egypte hun eigen groenten. Daardoor bleef alleen Israël (dat zich toelegt op exclusieve landbouwproducten) over als afzetgebied. Ook de exportmogelijkheden van textielproducten uit de Palestijnse gebieden waren beperkt. Omdat Israël de Palestijnen verbood zelf eindproducten te fabriceren, bleef de joodse staat ook in dit geval als enige afzetgebied over.
Voor Israël waren aan de controle van de Palestijnse
economie verschillende voordelen verbonden. Zo konden de Israëlische
leiders er kritiek uit het buitenland mee pareren. Als Europese politici
zich kritisch uitlieten over het Israëlische nederzettingenbeleid,
dan konden de leiders van de joodse staat dreigen met schade aan de
Palestijnse economie, door bijvoorbeeld de import van textiel en groenten
te beperken. Impressie 2 De geheimhouding omtrent het Israëlische kernwapenarsenaal werd in 1985 definitief aan stukken geslagen. Dat jaar publiceerde de London Sunday Times foto's van de nucleaire faciliteiten in Dimona. De opnamen waren gemaakt door de Israëliër Mordechai Vanunu, een voormalige werknemer van de kerncentrale. Volgens een aantal onafhankelij-ke experts, onder wie de vermaarde kernfysicus Frank Barnaby, onthulden de foto's de capaciteit van Israël om een waterstofbom te produceren. De motivatie van Vanunu om het Israëlische kernarsenaal wereldkundig te maken, was zijn onvrede over de Israëlische behandeling van Palestijnen. Zijn initiatief kwam hem uiteindelijk duur te staan. In 1986 lokte een Mossad-agente Vanunu vanuit Londen naar Rome, waar Israëlische agenten hem vervolgens in hechtenis namen. Een Israëlische rechtbank veroordeelde hem tot 18 jaar eenzame opsluiting. Deze straf bevestigde dat Vanunu het bij het rechte eind had. Daar komt nog bij dat Israël nucleaire kennis naar andere landen verspreidt. Dat Israël zich niet gebonden voelt aan non-proliferatieverdragen kwam naar voren met de kernproef van India in 1998. De militair-nucleaire samenwerking tussen India en Israël lag er toen dik bovenop. De Britse pers stond uitgebreid stil bij deze relatie. In de Israëlische media verscheen het bericht dat de leider van het kernwapenproject in India A.P.J. Abdul Kalam in 1996 en 1997 de joodse staat bezocht had. Israël en India zijn beducht voor de dreiging van
fundamentalistische moslimlanden. India is vooral bevreesd voor Pakistan.
Het kernwapenprogramma is dan ook geheel op dit land gericht. Maar
ook voor Israël geldt dat Pakistan een eventueel doelwit is voor
kernwapens (daarnaast zijn kernraketten van de joodse staat gericht
op Arabische hoofdsteden, op locaties in de Golfregio en op sommige
nucleaire bases in voormalige Sovjetrepublieken).
Pakistan had daarmee redenen om Israël te vrezen. De joodse staat liet al eerder zien in staat en bereid te zijn tot het beëindigen van de nucleaire ambities in andere landen. Zo voerden Israëlische vliegtuigen in 1980 bombardementen uit op de kernreactor van Irak nabij Osirak. Daarom brak er paniek uit onder de Pakistaanse autoriteiten toen op 27 mei 1998 een radar in Pakistan twee gevechtsvliegtuigen waarnam van het type F-16. En op 23 december 1998 verscheen in de Israëlische krant Yediot Ahronot een artikel dat gedeeltelijk was overgenomen uit een niet nader genoemde krant in Pakistan. Volgens dit bericht was kort daarvoor een Israëlisch schip voor de kust van dit land tot zinken gebracht omdat het de nucleaire installaties in Pakistan bespioneerde. Itamar Eichner van Yediot Ahronot, schreef dat een Israëlische duikboot toen een reddingsoperatie moest uitvoeren. Mede door de onthullingen van Vanunu en de berichtgeving naar aanleiding van de kernproef in India, kan het politieke establishment in Israël niet meer ontkennen over een kernarsenaal te beschikken. Ook Shimon Peres geeft dat tegenwoordig toe. En hij weet waarover hij spreekt, want zoals eerder beschreven was hij vanaf het prilste begin nauw betrokken bij het nucleaire programma van Israël. Volgens Peres was de nucleaire bewapening van Israël vooral een onderhandelingsargument, maar ondertussen was het grote woord er wel uit. Het Israel Institute for Biological Research Naast kernwapens kan Israël tevens beschikken over biologische en chemische wapens. In dit verband komt het Israel Institute for Biological Research (IIBR) in Ness Ziona, nabij Tel Aviv ter sprake. Over dit laboratorium is weinig bekend, dat komt vooral door de strikte perscensuur. De mensenrechtenactivist Israel Shahak schreef in een fax aan de auteur van dit boek het volgende over chemische en biologische wapens in Israël: "... met betrekking tot Ness Ziona is de censuur bijzonder strikt. Ik zeg je dat NIETS mij zou verbazen omtrent deze plek en ik denk dat Israël een grote voorraad chemische en biologische wapens bewaart." Een andere antizionist in Israël, Israel Shamir,
merkt op dat pas bij `een herhaling van de Neurenberger processen'
de waarheid omtrent Ness Ziona aan het licht zal komen. Het met veel
geheimzinnigheid, hoge muren en prikkeldraad omgeven IIBR werd opgericht
in 1952 en biedt werk aan 300 medewerkers, waaronder zo'n 200 wetenschappers
en technici.` Volgens het officiële verhaal werkt het IIBR in
opdracht van het Israëlische ministerie van Defensie aan de ontwikkeling
van detec-tiemethoden voor chemische en biologische wapens. Maar met
de pro-ductie van dergelijke strijdmiddelen zou het IIBR, volgens
de Israëlische regering, niets te maken hebben. Toch twijfelen
onafhankelijke specialisten, o.a. van het tijdschrift Jane's Foreign
Report, er niet aan dat het IIBR het Israëlische centrum is voor
chemische oorlogsvoering. Volgens A.H.Cordesman van het Center for
Strategic and International Studies beschikt Israël bovendien
over een `production capability' voor biologische wapens. Wapenhandel met landen in het Midden-Oosten en drugsbaronnen (hfst15, blz 241-245) Israël exporteert ook militaire producten naar de Arabische landen. Vaak maken die een omweg via Europa. In september 1999 werd bijvoorbeeld een partij van 1.000 kogelvrije vesten via Schiphol naar de Verenigde Arabische Emiraten verscheept." Over zulke transacties mag de Israëlische pers niet schrijven, maar verder zijn dit soort leveranties in Israël geen groot geheim. In de Arabische landen ligt dit anders. Uit voorzorg laat Israël daarom de in het Hebreeuws gestelde informatie van de verpakkingen verwijderen. Ook tijdens de Golfoorlog, toen Saddam Hussein dreigde de joodse staat met gifgas te bestoken, leverde Israël militaire producten aan Arabische landen. Destijds doken gasmaskers in Israël op, voorzien van in het Arabisch gestelde labels. Volgens het officiële verhaal waren deze in de joodse staat geproduceerde gasmaskers aan Duitsland verkocht en in alle haast teruggehaald toen de Golfoorlog uitbrak. Veel Israëliërs vroegen zich af waarom Duitsland gasmaskers nodig had met Arabische labels. Bovendien produceerde Duitsland zelf voldoende gasmaskers om in de eigen behoefte te voorzien. Voor de Israëlische mensenrechtenactivist Israel Shahak was dit één van de aanwijzingen voor de export van Israëlische militaire produkten naar Arabische landen. Over Isràëlische wapenleveranties aan Arabische landen zijn er ook berichten uit België. In 1995 onthulde de voormalige Belgische rijkswachter Jean Bultot tijdens een tv-programma dat Israël gedurende de jaren tachtig wapens naar Arabische landen exporteerde via België en Zuid-Amerika. Uiteindelijk kwamen de wapens bij hun Arabische afnemers terecht.` Het zou goed kunnen dat een deel van deze Israëlische wapens bij dergelijke transporten in Zuid-Amerika achterbleef. Want toen in 1990 een inval plaatsvond bij de Colombiaanse cocaïnebaron José Gonzalo Rodriguez Cacha, trof de politie daar een compleet wapenarsenaal aan afkomstig uit Israël. De wapenleveranties aan Colombiaanse drugsbaronnen gingen vergezeld met de komst van Israëlische instructeurs, doorgaans officieren buiten dienst van het Israëlische leger. Samen met Britse, Duitse en Noord-Amerikaanse collega's gaven zij in Colombia onderricht aan de moordenaars in dienst van de drugsbaronnen. Een rapport van de Colombiaanse geheime dienst hield de door Israëliërs getrainde doodseskaders verantwoordelijk voor het vermoorden van plattelandsarbeiders en linkse politici. De leiders van de joodse staat hebben in een poging
zich vrij te pleiten vaak beweerd dat de Israëlische instructeurs
op persoonlijke titel actief waren in Colombia. Maar de betrokken
Israëlische kolonel Yair Klein was naar eigen zeggen in Colombia
actief met medeveten en toestemming van het Israëlische ministerie
van Defensie. De toenmalige minister van dit departement, Yitzhak
Rabin, onder-tekende op 31 maart 1986 een brief waarin hij officieel
toestemming verleende aan `de uitvoer van militaire know-how en defensiemateriaal
aan de firma van Klein'. Naar aanleiding van de handel en wandel van
Klein berichtte de Israëlische pers dat een groep joodse fundamentalisten
in de VS het in Colombia verdiende geld witwaste. Israëlische wapens zijn ook aan het fundamentalistische regime in Iran verkocht. Deze transacties vonden aanvankelijk plaats in het kader van de Amerikaanse Iran-Contra praktijken uit de jaren tachtig. Aanleiding tot Iran-Contra was de gijzeling van een aantal Amerikanen in Libanon door pro-Iraanse sjiïetische strijders. De vrijlating van deze gijzelaars had grote prioriteit voor de vs, mede omdat de CIA-chef in Libanon William Buckley zich onder hen bevond. Washington meende dat de verkoop van wapens aan Iran zou bijdragen tot het einde van de gijzeling. Maar de gijzelaars in Libanon vormden maar één kant van Iran-Contra. De VS wilden tevens in het geheim wapens aan Iran leveren om goede relaties tussen Teheran en Moskou te voorkomen. Bovendien konden de Amerikanen de winst van de deal met Iran gebruiken om extreem-rechtse contra's in Midden-Amerika te financieren bij hun strijd tegen de sandinisten in Nicaragua. Met deze constructie overtrad de vs het inter-nationale wapenembargo tegen Iran. Mede daarom zette deze affaire de Amerikaanse politiek op zijn kop, al kwam dit schandaal uiteindelijk grotendeels in de doofpot terecht. De directeur van de Amerikaanse Nationale Veiligheidsraad Robert C. McFarlane was één van de architecten van Iran-Contra. Op zijn initiatief raakte Israël bij de wapenleveranties betrokken. McFarlanes vertegenwoordiger Michael Ladeen vroeg aan Shimon Peres of de joodse staat bereid was tussen de vs en Iran te bemiddelen, waarna de Israëlische politiek op dit verzoek inging. Later bekrachtigde een door Yitzhak Shamir en Ronald Reagan ondertekend verdrag deze overeenkomst. De schatrijke Israëlische wapenhandelaar Ya' acov Nimrodi was volgens de Israëlische leiders de meest geschikte man om transacties met Iran te coordineren. In de jaren zestig en zeventig was hij militair attaché in Iran. Nimrodi leverde toen voor miljoenen dollars wapens aan het regime van de sjah. Om te zien of het fundamentalistische regime in Iran geïnteresseerd was in Amerikaanse wapens benaderde Nimrodi in eerste instantie de Saoedische miljardair Adnan Kashoggi. Hij bracht Nimrodi in contact met Manucher Ghorbanifar, een zakenman uit Iran. Gborbanifar reisde daarop naar Israël om uit te leggen welke wapens Iran nodig had, waarna de leverantie op gang kwam. In het kader van Iran-Contra leverde Israël namens de vs 128 Amerikaanse tanks, 200.000 Katysha raketten, 10.000 artilleriegranaten, 3.000 vanaf vliegtuigen lanceerbare luchtdoelraketten, 4.000 geweren, 50 miljoen patro-nen en nog veel meer. De ex-Mossadagent Victor Ostrovsky geeft een voorbeeld
van de manier waarop Israël te werk ging bij het leveren van
wapens - in dit geval vliegtuigonderdelen - aan Iran. In Mossad 'De
keerzijde van het bedrog' beschreef hij hoe de containers met onderdelen
in de Israëlische haven Ashdod aan boord kwamen van schepen,
met verschillende havens in Italië als bestemming. Na aankomst
in Italië voorzagen medewerkers van de Mossad de containers van
documenten voor export van Italiaanse landbouwproducten naar Duitsland.
Vanuit Italië reden vrachtwagens de containers vervolgens naar
Hamburg. Vandaaruit ging het naar een verlaten vliegveld bij Kiel.
Een Iraniër controleerde daar de lading, waarna de helft van
de betaling volgde (de andere helft werd na aankomst van de lading
in Iran betaald). In Denemarken werden de vliegtuigonderdelen uiteindelijk
aan boord van schepen geladen en volgde transport naar Iran. Ari Ben -Menashe was als belangrijke figuur van de Israëlische inlichtingendiensten nauw betrokken bij het leveren van wapens aan Iran. De Amerikaanse justitie verdacht Ben-Menashe - wiens vader ooit aangesloten was bij de Stern Gang - van transacties met Iran. Daarom arresteerde de politie van New York hem in 1989 op verdenking van het schenden van de Amerikaanse Arms Control Act. In zijn gevangeniscel kreeg Ben-Menashe bezoek van een Israëlische delegatie. Dit gezelschap stelde hem voor schuld te bekennen in ruil voor een royale vergoeding. Maar tot groot ongenoegen van zijn landgenoten weigerde Ben-Menashe op dit voorstel in te gaan. In plaats daarvan was hij voornemens zijn ervaringen in boekvorm te gieten. De Mossad stelde toen alles in het werk om publicatie te voorkomen. Toen Washington een einde maakte aan de Amerikaanse rol bij de wapenleveranties aan Iran, ging Israël door met het leveren van wapens aan het land van de ayatollahs. De handel met Iran was zo lucratief dat Israël daar ook in de jaren negentig nog mee doorging. Volgens de eerder genoemde Victor Ostrovsky leverde Israël tussen 1991 en 1994 nog voor 1.500.000 dollar chemicaliën aan Iran. Onder deze omstandigheden bleef er behoefte aan zondebokken
bestaan. Dat werd de Israëlische zakenman Nahum Manbar. Zijn
onderneming leverde met medeweten van de Israëlische regering
jarenlang wapens en chemicaliën aan Iran, ook toen de VS daar
niet meer bij betrokken waren. Toen Amerikaanse en Britse inlichtingendiensten
dit ontdekten, klopten zij bezorgd aan bij de Israëlische autoriteiten.
Om gezichtsverlies te voorkomen, besloten zij Nambar tot spion te
verklaren. Na een geheim proces veroordeelde een Israëlische
rechter hem tot een gevangenisstraf van 16 jaar.`
Kennelijk is de Israëlische machtselite er veel aan gelegen de handel met Iran exclusief te houden. Dit schizofrene beleid dient in ieder geval niet de bij de Israëlische leiders zo hoog in het vaandel staande veiligheid. De door Israël aan Iran geleverde wapens vonden voor een deel hun weg naar de pro-Iraanse Hezbollah in Libanon. En deze fundamentalistische moslimorganisatie gebruikte ze vervolgens tegen Israëlische militairen en burgers! Impressie 3 Sam Cohen, eigenaar van het citrusvruchten exportbedrijf Hanotai in Tel Aviv, klopte in 1933 aan bij het Duitse ministerie van Economische Zaken. Cohen wilde nagaan in hoeverre de nazi's bereid waren de opbouw van een joodse infrastructuur in Palestina te ondersteunen. Dat was volgens hem mogelijk wanneer het voor joden in Duitsland aantrekkelijk zou zijn om kapitaal naar Palestina over te maken Eerder deed Cohen een soortgelijk voorstel aan Heinrich Bruning, de kanselier van de Weimarrepubliek. Maar die was niet geïnteresseerd. Ook de nazi's aarzelden aanvankelijk, maar toen hun opvatting over het zionisme veranderde, waren zij wel geïnteresseerd. De onderhandelingen in Berlijn tussen Cohen en Hartenstein van de Reichsstelle für Deviesenbewirtschaftung begonnen in mei 1933 en leidden drie maanden later tot een overeenkomst . De ZVfD vond dat Cohen te zelfstandig opereerde en besloot zich met zijn initiatief te bemoeien.(ZVfD=Zionistische Vereinigung für Deutschland, EB) Daarom spraken ambtenaren van het Duitse ministerie van Economische Zaken op 7 augustus 1933 met vertegenwoordigers van deze Duitse zusterorganisatie van de WZO.(WZO=World Zionist Organisation, de voorloper van de World Jewish Congress, EB) Verder waren de bankier Hoofin van de Anglo Palestine bank in Tel Aviv en Arthur Ruppin van de Jewish Agency bij deze besprekingen aanwezig. Men kwam toen overeen een onderneming op te richten voor het overmaken van joods vermogen naar Palestina in de vorm van Duitse producten. Het initiatief van Cohen leidde tot een overdracht naar
Palestina van landbouwmachines ter waarde van één miljoen
rijksmark. Bovendien at nazi-Duitsland voortaan sinaasappelen uit
Palestina. In ruil daarvoor leverde het Derde Rijk hout en andere
Duitse producten aan de joodse kolonisten. De opvolger van Cohen bij
de besprekingen met de nazi's was Chaim Arlosoroff, de politieke secretaris
van de Jewish Agency. Onder zijn leiding kreeg de samenwerking van
de zvfD met nazi-Duitsland meer gestalte. Nadat Arlosoroff op 14 juni 1933 in Palestina aankwam, opende de revisionistische pers dan ook onmiddellijk de aanval. Maar daar bleef het niet bij, want toen Arlosoroff twee dagen later met zijn vrouw een wandeling langs het strand van Tel Aviv maakte, werd hij neergeschoten. Hij overleed de daaropvolgende nacht Twee dagen later arresteerde de Britse politie twee revisionistische zionisten. Nadat zij door de weduwe van Arlosoroff positief geïdentificeerd waren, deed de Britse politie een inval in het huis van Abba Achimeir, de leider van de revisionisten in Palestina. Politieagenten troffen daar een dagboek aan met een notitie over een feest in het huis van Achimeir. Daar vierden de revisionisten `de grote overwinning' na de dood van Arlosoroff. De politie beschouwde Achimeir als het brein achter de aanslag op Arlosoroff en arresteerde hem. Toch kwam het niet tot een veroordeling van Achimeir en de twee moordenaars. Bij gebrek aan bewijs moesten de Britse autoriteiten hen laten gaan. Maar ondertussen wist iedere zionist dat de moordenaars van Arlosoroff revisionisten waren. Dat mevrouw Arlosoroff bijna flauwviel toen zij één van de daders herkende, zal voor menigeen voldoende bewijs zijn geweest. De revisionistische bezwaren tegen de onderhandelingen van Arlosoroff met de nazi's stonden niet op zich. Later in 1933 leidde dit thema tot een heftige confrontatie tussen de WZO en de revisionisten tijdens het 18e zionistische congres te Praag. Wladimir Jabotinsky sprak zich uit tegen collaboratie met het nationaal-socialisme. Maar door de moord op Arlosoroff waren hij en zijn in het bruin gehulde Betarim niet populair bij de meeste zionisten. Hij kreeg daarom niet veel stemmen achter zich, met als gevolg dat het voorstel tot nadere samenwerking met de nazi's het haalde. De overeenkomst van de WZO met de nazi's stelde Duitse joden in de gelegenheid zich in Palestina te vestigen, - waarbij zij over een groot gedeelte van hun vermogen konden blijven beschikken. Potentiële kolonisten kregen het advies een van tevoren vastgesteld bedrag in te leveren bij een speciaal hiertoe in het leven geroepen bank. Met dit vermogen vervaardigde Duitse ondernemingen producten voor export naar Palestina. Na verkoop kwam de opbrengst van deze producten terug in de handen van de emigranten. Deze regeling stond bekend als het Ha' a-vara Abkommen (Transfer Arrangement). Bij Ha' avara waren verschillende banken betrokken.
Zoals de eerder genoemde Anglo-Palestine Bank van de wzo. Daarnaast
werkte ook de in Berlijn gevestigde bank van Max Warburg mee aan het
overmaken van joods kapitaal naar Palestina.Warburg incasseerde het
vermogen van potentiële emigranten, terwijl de bankier A.E. Wasserman
de uitbetaling daarvan in Palestina coordineerde.
Door het Ha' avara Abkommen was de joodse gemeenschap
in Palestina al een economische factor van betekenis in het Midden-Oosten
toen de staat Israël nog niet eens bestond. En dat allemaal met
medewerking van de nazi's, voor wie de overeenkomst met de zionisten
alleen maar voordelen bood. Joden verlieten Duitsland en daar was
het hen in de eerste plaats om te doen. Maar het Ha' avara Abkommen
had ook voordelen voor de begin jaren dertig nog zwakke economie van
nazi-Duitsland. Want bij het overmaken van joods vermogen naar Palestina
bleef nogal wat geld aan de strijkstok hangen. Geëmigreerde joden
kregen in Palestina maar een deel van het vermogen dat zij in Duitsland
hadden ingeleverd, terwijl de rest in de nationaal-socialistische,
schatkist ver-dween. Verder sloot de regeling goed aan bij het streven
van Duitse ondernemers naar nieuwe afzetgebieden voor hun producten
in Zuid-Europa en het Midden-Oosten. Vergeleken met Noord-Europa verwachtten
de Duitse kapitalisten in deze contreien minder concurrentie. Bovendien
waren economische contacten met het Midden-Oosten hoog op het verlanglijstje
van nazi-Duitsland te vinden, met het oog op de import van fel begeerde
delfstoffen. Zionistische kolonisten die aan het einde van de 19e
eeuw naar Palestina trokken, kwamen terecht in een ongeïndustrialiseerde
wereld. De landbouwsector was van primair belang om in Palestina te
kunnen overleven, maar op de lange duur was dit niet voldoende voor
een gezonde economie. Aangezien veel joodse kolonisten in de textielindustrie
werkten, was dit één van de industrietakken die ze begonnen
te ontwikkelen. De kleurstoffen voor hun productie waren verkrijgbaar
bij het Duitse bedrijf IG Farben. Deze multinational hield een slechte
reputatie aan de Tweede Wereldoorlog over, door de nazi's te financieren.
Bovendien maakte IG Farben toen gebruik van slavenarbeiders afkomstig
uit het concentratiekamp Auschwitz. Er was IG Farben destijds veel
aan gelegen zaken te doen in het Midden-Oosten, omdat het bedrijf
in dit deel van de wereld de Brits/Amerikaanse chemiegigant ici kon
beconcurreren. Het Ha' avara Abkommen maakte leveringen van IG Farben
producten in Palestina mogelijk. Daarmee zorgde de Duitse multinational
voor een economische opleving in Palestina. Vooral de joodse textielindustriëlen
werden daar beter van, de Arabieren in Palestina niet. Hun economische
positie was toen al slechter dan die van de zionistische kolonisten.
Illegale immigratie Met de meeste Duitse joden zat de WZO destijds nogal
in de maag. Doorgaans waren zij te sterk geassimileerd in de Duitse
samenleving om geschikt te zijn voor vestiging in een nationaal tehuis
voor joden. Duitse joden spraken zelden Hebreeuws en waren volgens
de zionisten gemiddeld te oud voor landarbeid. Bovendien hadden zij
sowieso weinig affiniteit met de zionistische ideologie. Het gevolg
was dat veel Duitse joden niet door de `selektsia' kwamen. Bovendien
had de WZO ook uit logistieke overwegingen bezwaren tegen een al te
massale uittocht naar Palestina. De komst van alle Duitse joden naar
Palestina, zou volgens de WZO-leider Chaim Weizmann nooit tot een
goed functionerende samenleving leiden: Aangezien de WZO niet iedere jood kon gebruiken, was selectie cruciaal. Van de Duitse joden, die naar Palestina wilden emigreren, kreeg lang niet iedereen het vereiste certificaat van de WZO. Op 26 april 1934 sloot Weizmann een aantal beroepsgroepen uit van emigratie: zakenmensen, handelsreizigers, kunstenaars en muzikanten. Ook joden met gezondheidsproblemen konden beter in Duitsland blijven, zij waren ongeschikt voor landarbeid en vroegen extra aandacht, waardoor zij in Palestina eerder tot last waren. Toen een aantal ongezonde joden toch een emigratiecertificaat wist te bemachtigen en naar Palestina vertrok, drong de vereniging van joodse emigranten eropaan hen naar Duitsland terug te sturen. Over de strenge selectie hadden zionisten weinig gewetensbezwaren. In de krant Davar van de zionistische vakbond Hitraduth, verscheen in 1933 een artikel van Berl Katznelson met de volgende passage:`We weten dat we niet in staat zijn om alle Duitse joden over te brengen en dat we een selectie zullen moeten maken op basis van de wrede criteria van het zionisme.' Als gevolg van het strenge selectiebeleid van de WZO
probeerden joden illegaal naar Palestina te reizen: de maapilim. Maar
de zionistische wereldorganisatie was hier sterk tegen gekant. Zelfs
toen het iedereen duidelijk was dat het leven van joden gevaar liep
in Duitsland, bleef de leider van de Jewish Agency David Ben Goerion
een tegenstander van illegale emigratie. Dit in tegenstelling tot
de revisionistische zionisten, want zij waren vaak nauw betrokken
bij de organisatie van illegale emigratie naar Palestina. Dankzij
hun inzet konden in de periode tot het einde van de Tweede Wereldoorlog
zo'n 50.000 illegale joodse immigranten onderdak in Palestina vinden.
Als het aan de WZO had gelegen was deze groep in Duitsland gebleven,
met alle gevolgen van dien. “Als ik zou weten dat het mogelijk zou zijn om alle kinderen in Duitsland te redden door hen naar Engeland te brengen; en alleen de helft door hen naar Israël te brengen, dan zou ik voor de tweede mogelijkheid kiezen. Want wij moeten niet alleen het leven van deze kinderen in overweging nemen, maar ook de geschiedenis van het volk van Israël.” Literatuur: Peter Edel ‘De schaduw van de ster. Zionisme en antizionisme’, uitg. EPO, 2002 Eli Brenner, 'Zionism in the Age of the Dictators',Croom Helm Beckenham, UK, 1983 Israël Shahak, 'Jewish History, Jewish Religion, the Weight of Three Thousand Years',Pluto Press, Londen, 1992. Verder: 'Open Secrets', 1997. 'Jewish Fundamentalism in Israel',Pluto Press,1999. Noam Chomsky, 'The Fateful Triangle', South End Press, Boston,1983 en b.v. ‘Verdorven Democratie’, Papieren Tijger, Breda,1992 (voor België:EPO,1992) Noam Finkelstein, 'The Holocaust Industry- Reflections on the Exploitation of Jewish Suffering', Verso,Londen, 2000 Victor Ostrovsky, 'De Mossad, de Keerzijde van het
Bedrog', Van Reemst uitgeverij, Houten, 1995 & 'Het Web
van de Mossad, Onthullingen van een Israëlisch Geheim Agent',
Uitgeverij M&P, Weert, 1990
|
|||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||