|
![]() |
| Zachariël> Artikel |
|
26-5-2006
printversie:
Samenhangen
tussen zielenwereld en het leven na de dood Door M. Carolus
De patiënten bevinden zich gedurende de hele behandeling in een staat van gecontroleerde wakkerheid; het proces functioneert überhaupt alleen voor zover en voor zolang als de patiënt het zelf innerlijk actief vormgeeft. De patiënten kunnen de zitting elk moment onderbreken en zijn aansluitend zonder gaten in het bewustzijn bij het hele verloop van het proces aanwezig. Tijdens de sessie wordt niet geanalyseerd, na afloop alleen voor zover dat nodig is.
Wie in de psychiatrie werkzaam is, kent het: de zogenoemde DSM-IV, het ‘ Diagnostic and Statistical Manual of Mental Disorders’ in de 4e oplage. Interessant genoeg ontbreken in dit psychiatrische handboek als vanzelfsprekend de begrippen ‘ziel’ en ‘geest’ . Elke mogelijke menselijke problematiek wordt in het ongeveer 500 bladzijden omvattende overzicht geclassificeerd als stoornis of combinatie van stoornissen, variërend van psychische stoornis, stoornis door lichamelijke ziektes via eetstoornis, slaapstoornis, stemmingsstoornis tot en met persoonlijkheidsstoornis en aanpassingsstoornis. De mens verschijnt hier als gereedschap, waarvan het verloop kwantificeerbaar in psychische, sociale en beroepsmatige functies ingedeeld wordt. Dit uitgangspunt is Anglo-Amerikaans gekleurd, zeer praktisch en bovendien ook niet eens onsympathiek onder het motto: Wanneer je niet al te vaak depressief bent, meer dan alleen een paar vrienden hebt en je je sinds minstens een paar jaar in een beroep bewezen hebt, dan is alles in orde met je- daarvoor hoef je noch over ziel, noch over geest iets te weten. Een dusdanig vereenvoudigd mensbeeld zou als achtergrond voor reïncarnatietherapie niet zinvol zijn. Een blik in de overeenstemmende vakliteratuur toont, dat met deze in de schoolgeneeskunde ontbrekende begrippen stevig geworsteld wordt; de Nederlander Henri de Vidal bijvoorbeeld, neemt het begrip ziel over uit het gnostische werken van Jacob Slavenburg, waar als ziel dat deel van de mens beschreven wordt, dat voor alles wat beleefd wordt verantwoordelijk is. De ziel omvat dus het begeren, de wensen en verwachtingen van de mensen, evenzeer als zijn emoties, woede of vredelievendheid, haat of dankbaarheid. ‘ De ziel is verankerd in het lichaam. Het Oosterse denken gebruikt graag het begrip ‘voertuig’ en zo is het lichaam het voertuig van de ziel, zoals de ziel dan weer het voertuig van de geest voorstelt. Zonder lichaam kan de ziel niets op de wereld doen. De emoties en belevenissen tonen zich in het lichaam. Anderzijds kan ook het lichaam niets zonder de ziel. Als de bezieling wegvalt, blijft alleen stof over. Als er niets meer dan lichaam en ziel zou zijn, dan zou de mens net als het dier zonder verstand leven en van de ene emotie naar de volgende voortgedreven worden.’ (1) Dit volstaat blijkbaar voor de auteur de Vidal, want hij gebruikt in zijn werken weliswaar het begrip ‘ziel’, maar niet ‘geest’. De reïncarnatietherapeut Hans ten Dam formuleert in een verklarende woordenlijst: ‘Ziel is de gereïncarneerde entiteit. Sommige zielen schijnen hun individuele leven als mens te zijn begonnen en kunnen als ‘beginnelingen’ gezien worden. Andere zielen schijnen van hogere zoogdieren te zijn gekomen. Anderen waren pure geesten, bewust, maar zonder lichaam. Weer anderen schijnen van andere planeten te zijn gekomen. Buitenaardsen, die eens een niet-menselijke belichaming hadden, zijn zeldzaam. ‘Beginnelingen’ en zielen, die van hogere zoogdieren afstammen, zijn waarschijnlijk de meest voorkomende zielen, die echter zelden de reïncarnatietherapie opzoeken.’ (2)
1615, Ioannis Meersen De therapeut en auteur R.J. Woolger ( Other lives, Other Selves) worstelt ronduit met de begrippen wanneer hij zich afvraagt, of eigenlijk een individuele ziel als samengestelde persoonlijkheid, zoals de populaire metafysica ons leert, overleeft, of eenvoudigweg als ziel in de zin van een niet-geïndividualiseerde ‘klont’ psychische ervaringen en ‘samskaras’ ( karmische patronen, waarbij niet alleen een bepaalde daad als gevolg van een bepaald lot of nieuwe daad tevoorschijn komt, maar waar een heel complex, een patronenreeks zich ontwikkeld) Deze zielenklonten zouden simpelweg na het overlijden uit elkaar kunnen vallen en vervolgens samengevoegd worden voor een nieuwe ‘zielssamenstelling’, om dan weer tot een kind met een geschikte aanleg aangetrokken te worden.(3) Ook bij de Nederlandse vakgenoot Hisschemöller wordt de zoektocht naar formuleringen voelbaar, wanneer hij zegt: ‘Ik kan over mijzelf nadenken, mijn lichaam waarnemen, mijn zelf voelen. Het is alsof er iets in mij bestaat, dat dit allemaal doet. Het is daardoor bijna onvermijdelijk om in samenhang met het nadenken over leven en sterven, zich hoe dan ook de mens met een geest of een ziel uitgerust voor te stellen.’ Een paar bladzijden later sluit hij zich aan bij het model van de Amerikaan George Meek ( 1981), die het axioma opstelde, waarbij alles ‘ energie’ is. Dit schijnt voor Hisschemöller de beste oplossing te zijn: ‘ Wij zullen vanaf nu het incarnatieprincipe als volgt definiëren: het energiepatroon, dat na het sterven van het lichaam en de desintegratie van de overige persoonsgebonden energieën overblijft en over alle informatie van deze energiepatronen, dus ook alle eerdere levens, de beschikking heeft. In elk leven wordt het veranderd en aangepast, maar de functie is bovenal het bewustworden van alle energievormen, die elkaar beïnvloeden en daardoor de bewustwording van de eenheid, de schepping, de kosmos of hoe men het ook noemen wil.’ (4) In een recenter handboek over reïncarnatietherapie van Bontebal en van der Maesen, strijdt van der Maesen om erkenning van het begrip ‘ziel’ in de geneeskunde, wanneer hij bijvoorbeeld zegt dat een persoonlijkheid ten eerste een compositie is van een fysiek-materieel deel (het lichaam), ten tweede een door de genen bemiddeld potentieel van eigenschappen en karaktertrekken, (die tijdens het leven door opvoeding en omgeving verder ontwikkeld worden) en ten derde een als ziel te bestempelen eenheid met een potentieel aan al gerealiseerde ontwikkeling en ervaringen uit de prepersoonlijke fase. (5) Van der Maesen stelt vast, dat het begrip ‘ziel’ in de wetenschap in hoge mate door dat van de ‘psyche’ vervangen is, waarbij men in het algemeen weinig weet over wat het zou zijn. Daarnaast wijst hij op de grote kloof tussen de wetenschap en de publieke opinie; per slot van rekening gelooft rond de 45 procent van de mensen in West-Europa in een leven na de dood en ongeveer 20 procent gelooft dat je als geest of ziel verder leeft. De wetenschapper en psychologiedocent dr. Ko Vos ziet het begrip van de psyche als- eventueel gereduceerd- de natuurlijke tegenhanger van het fysieke leven en meent dat men daartegenover met het begrip van de ziel meer metafysische of romantische voorstellingen zou verbinden. Hij zegt zelfs heel duidelijk: ‘Het woord ziel kan men niet eenduidig definiëren.....de ziel is een tweezijdig werkende heelheid, die elke definitie tegenhoudt, net zoals bij de nieuwste symbolen, die de wortelmetaforen voor het systeem van het menselijk denken leveren.’(6) Het Nederlandse woordenboek omschrijft nog in de jaren vijftig ‘ziel’ allereerst als het niet-stoffelijke deel, van waaruit de mens leeft en zij definieert deze als het innerlijke en wezenlijke in de mens tegenover het stoffelijke en tijdsgebondene: op de tweede plaats noemt zij het begrip als synoniem voor persoon en mens; ten derde als het belangrijkste en de drijvende kracht; ten vierde als het innerlijk van de dingen. Ter completering nog een citaat uit de esoterische hoek: ‘ De individuele ziel kan men met een zilveren vonk vergelijken, die uit de goddelijke essentie stamt. Hij is op een pelgrimstocht, waarbij vele soorten van bestaan worden ervaren, en vele lessen geleerd kunnen worden. Trapsgewijs voortgaand, hoeven sommige lessen niet meer herhaald te worden en de ziel schrijdt naar zijn uiteindelijke constitutie toe: de vereniging met de eenheid zelf.’ Indrukwekkend is de eenvoud van de inleiding van het begrip bij Rudolf Steiner in zijn werk ‘Theosofie’: ‘Met het woord ziel wordt op datgene gewezen, waardoor hij (de mens) de dingen met zijn eigen bestaan verbindt, waardoor hij genoegen en ongenoegen, lust en onlust, vrede en pijn door hen ervaart.’ (7) In het verdere verloop van het boek bouwt hij dit eenvoudige begrip uit en verdiept het stap voor stap.
Als mythologisch beeld en ook grammaticaal-bijvoorbeeld in de Duitse taal- is de ziel vrouwelijk. Men kan zich haar bijvoorbeeld voorstellen in het beeld van de Egyptische godin Isis, de vrouw van Osiris en moeder van Horus, of ook als maagdelijke moeder, als Maria met haar goddelijke kind in de armen. Maar ook de andere Maria, degene die Christus’ voeten zalft, kan men als beeld van de ziel beschouwen. Samenvattend kan men onder ‘ziel’ een omvattend wezen verstaan, dat kan groeien en zijn ‘gestalte’ kan veranderen, als iets, dat zowel belichaamd als ook onbelichaamd leven en leren kan, waarbij zij zich in activiteit en uitwisseling met andere zielen en stoffen bevindt. Ze is tegelijkertijd uniek en geheel een met andere zielen. Ze is niet vanuit de stoffelijke wereld te begrijpen.
In de mythologische overleveringen uit oude tijden stuit men op het feit, dat men van het bestaan van meerdere ‘werelden’ afwist. De bewoners van de noordelijke mythologie leven in Midgard, dat in het midden van de wereld ligt; ook in het oude China sprak men van het ‘Rijk van het Midden’. Bijna alle mythologieën beschrijven naast deze middenwereld nog een onderwereld, bewoond door demonen, de duivel en vaak ook door gestorvenen, alsook een bovenaardse, hogere wereld (hemel), waar hogere wezens, engelen of goden en ook sommige overledenen wonen, die gelijkwaardig zijn geworden aan deze hogere wezens. Ook tegenwoordig spreken we nog over deze werelden, maar we zien ze vanuit nieuwe begrippen als verschillende bewustzijnlagen. Naast het gewone, wakkere dagbewustzijn, dat het midden vertegenwoordigt, onderscheiden we een onderbewustzijn en een hoger bewustzijn.
Boven-midden- en onderwereld bijeen tijdens het
‘ Laatste Oordeel’ Zeker spreekt men tegenwoordig nog zelden van de duivel of demonen. Maar iedereen kent het, wanneer van beneden (niet altijd gerechtvaardigde) woede ‘omhoog komt’ of wanneer een depressief gevoel of verdriet je ‘naar beneden trekt’. Net zo veelvoorkomend zijn juist in onze tijd berichten over een ‘hemelse’ wereld, zoals in de studies van Moody of Ritchie over de zogenaamde bijna-dood ervaringen. Denk ook aan de berichten van paragnosten (‘healers’) of de meest uiteenlopende ervaringsberichten over wegen naar verlichting. Nog steeds worden ook drugs en bepaalde vormen van muziek en dans- zoals in alle tijden- gezocht, om andere bewustzijnsvormen te bereiken, waarbij men, vooral door drugs, heel goed ook het neerstorten in de onderwereld kan ervaren.
De hemelse domeinen worden ook altijd als ‘paradijselijk’ beschreven. Groene weides, helder water en stralende bloemen worden waargenomen (zowel de Egyptische als de Griekse mythologie beschrijft zulke hemelweiden). Vaak worden er engelen en lichtwezens in deze regionen beschreven. De Vidal noemt deze wereld het ‘zomerland’ en hij beschrijft wat zijn ‘remigranten’ (zoals wij het hier over patiënten of cliënten hebben) beleven, als volgt: ‘De aantrekkingskracht, die deze fascinerende omgeving uitstraalde, was duidelijk te zien op hun gezichtsuitdrukking, die zich totaal veranderde op het moment dat de terugkeer naar de aarde plaatsvond. Dan zag het eruit, alsof donkere wolken zich bij hun gezichthorizon samenbalden....er is geen dwang, weer naar de aarde terug te keren, maar een verlangen naar voortdurende loutering, die alleen vervuld kan worden, wanneer de weg door de stoffelijke wereld gekozen wordt, omdat de ziel via een nieuwe persoonlijkheid daar het terrein verkend en door het gevecht, dat daar gevoerd moet worden, tot volwassenheid en ontwikkeling kan komen.’
De beroemde sofa van de Weense arts en psychiater
Sigmund Freud (1856-1939) De onderwereld, het ‘Kamaloka’ van de Indische
spiritualiteit ( het oord van de begeertes), het vagevuur of ten slotte
de hel van de christelijke geestelijke wereld werd in de vorige eeuw
‘onderbewustzijn’ genoemd en bijvoorbeeld door Sigmund
Freud onderzocht, die het ‘Es’ (‘het’) in
dit rijk plaatste. Het is de wereld, waarin men daadwerkelijk belandt,
wanneer men als reïncarnatietherapeut met de patiënt (liefdevol)
diens voor zichzelf onbegrijpelijke voortdurende woede, blokkades
of verdriet bekijkt en tot de oorsprong nagaat. Hier vinden we dan
tegenwoordig niet meer als oorzaken de beelden van de Griekse Erinnyen
(wraakgodinnen), maar eerder de gestalte van een volledig uitgemergelde
vrouw met haar kind. Het blijkt dan bijvoorbeeld, dat de patiënt
in een eerder leven een dikbuikige smid was, die ongehuwd maar als
vooraanstaand dorpbewoner leefde, en dat deze magere vrouw in een
hut in het dorp woonde, nadat ze uit haar oorspronkelijke milieu (een
kasteel) verstoten werd omdat ze ongetrouwd zwanger geworden was.
De dorpsbewoners, waaronder de smid negeerden de vrouw, tot zij en
haar kind van honger en kou stierven; ook nadat de moeder als eerste
was gestorven, had niemand zich over het kind willen ontfermen. Op
een dag lag het dood op de straat. De smid zag het vanuit zijn werkruimte.
Hij had nog gedacht de vrouw te kunnen redden, maar zij had vanwege
het enorme verschil in stand geweigerd hem te trouwen, en hij had
niets ondernomen. Tot op heden draagt hij echter de beelden van haar
lijdensweg in zijn ziel. Dit gaat zelfs zover, dat hij zich met haar
identificeert. In de therapie is het vervolgens mogelijk dat deze
zielen, wat in het vorige aardeleven vanwege de enorme kloof van het
standenverschil niet mogelijk was, zich naar elkaar uitspreken. Het
gebied, waar dit gebeurt, is puur zielsmatig, een puur bewustzijnsgebied.
Hoe leeft en ontwikkelt de ziel zich? In de therapie stuiten we begrijpelijkerwijze vaak juist op de niet goed ‘gelukte’ sterfgebeurtenissen, die zich vervolgens echter, in de loop van de therapie, in ‘goede’ kunnen omvormen. We ontmoeten uiteraard ook mooie en positieve sterfervaringen. Ten Dam heeft in zijn werk ‘ Reïncarnatie, denkbeelden en ervaringen’ (8) een overzicht van de zielenbelevenissen na de dood gegeven en onderscheidt de volgende niveaus bij het sterven:
Bewust sterven, waarbij men zich echter niet uit
de omgeving kon losmaken (blijven hangen aan de plek van het sterven)
Zoals hiervoor, alleen met tot een nachtmerrie verworden ronddolen Bewustzijn over het gestorven zijn, echter blijvende
gebondenheid aan de stoffelijke wereld (rondspoken, spook) ‘Boven aangekomen zijn’ (in de eigenlijke geestelijke wereld)
Hans ten Dam is van mening dat de slaaptoestand van overleden zielen te maken heeft met het feit dat nog veel van het etheromhulsel om zulke zielen zit. Dit etherhulsel ( bij Aristoteles de plantenziel, in het sjamanisme de vitale ziel, in de antroposofie het levenslichaam) is ook tijdens de slaap in het lichaam, zij verlevendigt en verfrist het, maar is met weinig bewustzijn verbonden. Bij het sterven blijft dit omhulsel bij de ziel en daarmee het uiterst geringe bewustzijn van de slaap. De esoterica Dion Fortune beschrijft iets soortgelijks, echter alleen voor een twee- tot drie dagen durende toestand.(9) Gedurende deze tijd heeft de ziel daadwerkelijk nog de gestalte zoals deze was in het voorbije fysieke leven, want het etherlichaam geeft het fysieke lichaam vorm. Het etherlichaam vertoont (in deze periode) veel gelijkenis met het fysieke lichaam, zij het doorzichtig en met vagere contouren. In de praktijk blijkt echter, dat deze situatie langer duurt: Fortune spreekt hier over het ziek worden van het sterven en noemt als oorzaak daarvoor, dat bijvoorbeeld naaste verwanten door overmatige emoties de ziel van de gestorvene zo heftig ‘terugtrekken’, dat ze voortijdig wakker wordt. Normaal gesproken maakt het etherhulsel zich na ongeveer drie dagen los en wordt de ziel wakker; zij beleeft zich nu aan de andere kant van de rivier, in het andere land. Wordt zij echter voortijdig ‘wakker’, dat wil zeggen in een toestand, waarbij zij het etherhulsel nog vasthoudt, dan denkt ze dat ze verdrinkt, als ze niet naar de vaste oever van het aardse bestaan kan terugkeren, dat ze zojuist verlaten heeft; zij wil gered worden, klampt zich vast, wil terug in de enige, haar bekende wereld, de fysieke. Het etherlichaam draagt immers op dat moment de totale herinnering aan het zojuist geleefde leven.
In de therapie komen we de veelzijdige belevenissen van de ziel in die andere wereld tegen, zoals we die ook aantreffen in de geschriften van bijvoorbeeld Rudolf Steiner, Dion Fortune, Robert Monroe, Klaus Müller en anderen. Heel behulpzaam daarbij zijn Steiners karakteriseringen van het zielengebied: ‘Zoals de stoffen en krachten, die onze maag,
ons hart, onze longen, onze hersenen etc. samenstellen en beheersen,
uit de fysieke wereld stammen, zo stammen onze ziele-eigenschappen,
onze driften, begeertes, gevoelens, verdriet, wensen, ervaringen etc.
uit de zielenwereld. De menselijke ziel is een schakel in deze zielenwereld,
zoals zijn lijf een deel van de fysieke lichaamswereld is(...) Zoals
voor de lichamelijke structuren het ruimtelijke uitdijen en de ruimtelijke
beweging karakteristiek zijn, zo is dat bij de zielsmatige dingen
en wezens de prikkelbaarheid, het driftmatige begeren (…)(drift,
wens, verlangen zijn de aanduidingen voor het stoffelijke deel van
de zielenwereld. Dit stoffelijke wordt met ‘astraal’ aangeduid....Een
instinct of drift kan net zo goed ‘kracht’ als ‘stof’
genoemd worden) (…) In de zielenruimte hangt de wisselwerking
van twee structuren, die elkaar treffen, van hun innerlijke eigenschappen
af. Ze doordringen elkaar, vergroeien tegelijkertijd met elkaar, als
ze aan elkaar verwant zijn. Ze stoten zich van elkaar af, wanneer
hun wezensdelen tegenstrijdig zijn.” (7)
Robert Monroe beschrijft zijn buitenlichamelijke onderzoek in drie boeken. (10) In de loop van tientallen jaren en met een toenemend aantal oefenpersonen heeft hij zich ten doel gesteld, deze astrale wereld concreet in kaart te brengen. Aangezien de ziel tussen het lichaam enerzijds en de geest anderzijds leeft, strekt haar substantie zich uit van voortplanting- en voedingsdrift tot en met onbaatzuchtige liefde. Monroe beschrijft onder andere, dat er zich om de aarde heen gerangschikte ‘ringen’ (cirkels, gebieden) bevinden, waarbij de eerste ring zich door een volledige gerichtheid op het aardse laat kenmerken. Alle zich daar bevindende zielen waren zich totaal niet bewust van het feit dat er een realiteit achter de puur materiële dingen bestaat. Deze zielen waren ook niet in staat om met hem te communiceren; of ze merkten hem helemaal niet op, of ze reageerden angstig, vijandig of geschokt. Het gaat hier om zielen van in hun slaap, bewusteloos of anderszins onbewust overleden mensen. Monroe beleefde ze als ‘opgesloten’, aangezien ze vaak – zonder succes – steeds weer de weg terug in het fysieke lichaam zochten, zelfs nog als deze lichamen allang in het graf lagen; ze werden daarbij door grote angsten en begeertes gedreven. Monroe is van mening, dat deze (zich steeds verder uitbreidende) groep de grootste hindernis voor de menselijke leerprocessen op aarde opbouwt. Vervolgens is er een verdere groep, die het verlies van het eigen fysieke lichaam niet bemerken, evenwel alleen de fysieke wereld en de daarmee verbonden energieën kennen, en in hun onwetendheid proberen, verder daaraan deel te nemen. Daarbij ontstaan daar, waar heftige driften en verslavingen bestaan, makkelijk aangrijpingspunten. Het is de behoefte aan sex, drugs of alcohol, wat deze lichaamslozen aan nog belichaamde en ook aan de lichaamslozen met dezelfde behoeftes bindt, zodat zich hele ‘zielenklompen’ in dit lage gebied van de zielenwereld kunnen opbouwen.
Deze eerste cirkel wordt volgens Monroe door een extreme vervorming van de overlevingdrang gekenmerkt. Vervolgens bestaat er een verdere cirkel, die veeleer uit passieve, wachtende zielen bestaat. Zij bevinden zich doorgaans daadwerkelijk in een toestand van wachten, en wel zolang, totdat ze vanuit hogere gebieden geholpen worden om de volgende stappen te zetten. De volgende, derde ring is heel groot en omvat vele onderafdelingen. Bovendien heeft het een midden in de vorm van een soort nulpunt: opgebouwd als een lemniscaat is de binnenkant van deze ring nog met de dominantie van aardse tijd- en ruimte- illusies gevuld en de buitenkant met de niet-fysieke werkelijkheid. Uiteindelijk ontdekte Monroe nog een buitenring, waar de zielen bijna alleen wit licht uitstralen; zij communiceren alleen onder elkaar, niet met Monroe. Af en toe verdwijnen ze, zonder een spoor na te laten. De beschrijvingen van Monroe worden vaak bevestigd door de therapie-ervaringen. Hoewel Monroe op geheel eigen wijze een systeem van zielengebieden ontwerpt, komen zijn beschrijvingen toch precies met de door Steiner beschreven niveaus overeen, waarbij men ook de invloed van bijvoorbeeld de dominantie van een bepaald element vaststellen kan: het eerste gebied, waar alles afgestoten wordt, omdat het eigenzuchtige element overheerst, het tweede gebied van stromende prikkelbaarheid ( komt overeen met het passieve bij Monroe) en als derde een gebied van wens-stoffelijkheid. Wat Monroe in het midden als ‘nulpunt’ beschrijft, is bij Steiner het ‘weven van de ziel in zichzelf’, het gevoel, dat bestaat uit lust en onlust. De buitenste ring bij Monroe komen overeen met de drie ringen waar Steiner over spreekt, die met licht, kracht en leven geheel op de daarboven liggende geestelijke wereld gericht zijn. De wortels van het sjamanisme in de culturen van het
stenen tijdperk en hun getuigenissen in sculpturen, wandtekeningen
en andere overblijfselen zijn door professor Klaus E. Muller onderzocht.
(11) De zogenaamde steentijdmensen waren volgens hem aangewezen op
hun contact met de machten van gene zijde: ‘Het sleutelconcept
daartoe leverde het geloof in de ziel, exacter: de voorstelling van
het bestaan van een lichaamsonafhankelijke, spirituele ziel, die van
het geestwezen zelf afstamde en daardoor in staat was, met deze in
verbinding te treden (…) volgens de traditionele opvatting werd
de constitutie van de mensen gevormd door de vergankelijke lichaamsgesteldheid,
de minder vergankelijke vitale ziel en de lichaamsonafhankelijke,
onvergankelijke vrije ziel. De vitale ziel hield het organische functioneringsvermogen
van de mens in stand; ze verleende het lichaam de levenskracht.’
De toestand van gezondheid laat zich vervolgens zo karakteriseren,
dat deze drie elementen uit de constitutie harmonisch en gesloten
verenigd zijn. Ziekte daarentegen, laat zich in dit concept als volgt
omschrijven: ‘fysiek lijden ontstaat uit gewelddadige contacten
met het vreemdstoffelijke, die tot verwondingen leiden; men snijdt
zich tijdens het werk, valt uit een boom of wordt door het wapen van
een tegenstander getroffen. Vermindering van de levenskracht, die
zich in matheid, lusteloosheid en niet als laatste in het ontbreken
van vruchtbaarheid uitte, zag men door vijandelijke gevoelens van
anderen gebundeld en direct overgedragen worden, bijvoorbeeld door
de boze blik, veroorzaakt door ‘verontreiniging’ wanneer
men in contact met afbraak- en ontbindingsprocessen kwam, ofwel de
uitstraling van ontwrichtende vreemde vitale zielesubstanties, bovenal
echter door tovenarij van afgunstige lieden. Gevaar voor de vrije
ziel bestond uiteindelijk daarin, wanneer iemand plotseling een ‘verlammende’
schrik overkwam, waardoor de ziel, verward, op de vlucht sloeg, als
mensen in een heftige strijd en daarbij ‘buiten zichzelf’
raakten, wanneer een kwaadwillende geest bezit van de ziel nam, waarbij
deze zich in het lichaam drong of ze op hun droomreizen onderschepte
en kwelde, wie weet zelfs in de waanzin stortte, zodat ze zichzelf
niet meer terugvonden.... Men herkent hier de energieën van de eerste drie ‘ringen’; datgene echter, wat Monroe als een ‘nulpunt’ beschrijft, het omslaan van de ruimte-tijd-illusie naar een geestelijke realiteit ( bij Steiner het vierde niveau van de zielenwereld, waar de ziel zich in zichzelf beleeft, waar het eigenlijke zelfbewustzijn, het Ik, en daarmee de overgang van de zielenwereld naar de geestelijke wereld vanuit het nulpunt geboren wordt, de ‘Zonnesfeer’) is hier (nog) niet omschreven. De gebieden of ‘ringen’ van de zielenwerelden zijn vanuit de reïncarnatietherapie goed bekend. Ook Hans ten Dam heeft geprobeerd, verschillende gebieden te onderscheiden en wel door terug te grijpen op verschillende bewustzijnslagen.(8) De eerste beide (vitale ziel-) gebieden kennen slechts weinig bewustzijn; zielen van overledenen weten niet, dat ze geen, respectievelijk geen eigen, lichaam meer hebben. De derde cirkel echter is ‘psychoplastisch’: hier heerst de fantasiewereld. Hier kan men alles realiseren wat men wenst of wat men altijd al graag wilde. Hier zijn zieken en gewonden weer gezond, hier staat men bij de verwerkelijking van de eigen voorstellingen en wensen.
Het paradijs, Jan Brueghel den Oudere (ca.1600) Nog een keer vanuit een enigszins ander gezichtspunt duiken deze cirkels ook op in ‘Diary after Death’, een klein, zeer eenvoudig gehouden dagboek van de priester Franklin Loehr.(12) Loehr kleedde in dit boek zijn onderzoek in het raamwerk van een geconstrueerd verhaal. Ook hier een paar vrij vertaalde voorbeelden: ‘ Ik wist eerst niet, dat ik gestorven was. Ik wandelde juist over het trottoir na de lunch, toen plotseling mensen op me afkwamen, verschrikt keken en begonnen te rennen. Ik draaide me om om te zien wat ze daar zagen, en daar lag een man, die gevallen was. Ik keerde me om en liep op hem af, om misschien te kunnen helpen.’ Langzaam aan ontdekt hij echter: ‘ Ik voelde, dat er iets niet klopte. En plotseling trof het me als een donderslag: deze man was ik!’ hij probeert dan om weer in het lichaam te komen, dat gaat echter niet, en ondertussen gaat al het andere door: ‘Geen mens bekommerde zich om mij, zoals ik daar stond; mijn dode lichaam werd prachtig verzorgd- ikzelf echter niet. Niemand wist dat ik erbij was.’ Zo merkt hij ten slotte, dat hij gestorven is. Langzaam aan begint het hem dan te dagen, dat zijn twee jaar eerder overleden vrouw zich in een vergelijkbare situatie bevindt. En nu, terwijl hij intensief aan zijn vrouw denkt, is zij er. Ze begeleidt hem verder. Hij zegt alleen: ‘Dat is ons huis.’ Het is een buitenwijk van de hemel en het heet: ‘Post-Mortemia’, wat zoiets betekent als: na het sterven.’ Dit huis is in de psycho-plastieke wereld geheel volgens hun wensen gebouwd en met een bloementuin uitgerust. Langzaam aan went hij aan deze omgeving en zijn vrouw vertelt hem, hoe blij ze ermee is, dat hij haar na zijn overlijden heeft opgemerkt-want hij had zich ook helemaal kunnen afsluiten. Hij ontdekt, dat er in deze omgeving ook slechte wijken zijn en dat de eigenlijke hemel achter de berg ligt. Zo wordt ook hier door de verschillende gebieden heen gewandeld, zei het op eenvoudige sentimentele wijze. Wordt vervolgd. (Zie ook het artikel Gedachten over de verbinding tussen levenden en gestorvenen) Dit artikel verscheen eerder in het Duitse tijdschrift
Info-3, 2001. Literatuur:
|
|||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||