|
![]() |
| Zachariël> Artikel |
|
2-2-2006 printversie:
Over zielen en heiligen Gedachten over de verbinding tussen levenden en gestorvenen Door M. Carolus Onze huidige cultuur beleeft de afstand tussen de levenden en gestorvenen als een definitieve, niet te overbruggen kloof. Daar kan ook anders tegenaan gekeken worden. Marianne Carolus verbindt het oeroude weten omtrent de realiteit van de gestorvenen met een vaak verbluffende concreetheid in de praktijk van de reïncarnatietherapie. Tote
wollen nicht verweilen Wasser
sind wir, tot der Tränen Albert Steffen, Der Tröster,
gedichten 1935 November is de maand, die het meest gewijd is aan het gedenken van de doden. November is in onze noordelijke gematigde breedtezone de tijd, waarin het licht zich naar de aarde buigt. Het omvat ons niet meer van alle kanten vanuit de hele hemelkoepel, zoals nog in de zomer. Het strijdt niet meer dramatisch met wind en wolken zoals in de herfstmaanden september en oktober. Nee, het legt zich neer aan de horizon en vaak werkt het, alsof het licht alleen nog een kier vormt, een scheur tussen hemel en aarde- een beeld van een opening naar de zielenwereld, naar de wereld der gestorvenen, die wij tijdens de eerste beide dagen van de maand november gedenken.
Onze kalender noemt 1 november Allerheiligen en de 2e
Allerzielen. Wie zijn deze ‘heiligen’ en deze ‘zielen’?
Een mensenlichaam zien wij opgroeien, oud worden, sterven en vergaan. Anders zijn de ervaringen vanuit het perspectief van de zielen en de geest. Rudolf Steiner heeft in zijn werk Theosophie (1904) de mens als burger van drie werelden gekarakteriseert. Zijn geest, de eeuwige kern van zijn wezen, ontwikkelt de mens door ervaringen uit zijn verschillende aardelevens. Na de dood moet hij zijn werk op aarde ‘verteren’. Tussen de zuivere geestwereld en de stoffelijke wereld ligt de zielenwereld, die vooral de wereld van de begeertes is. Hier moet de dode doorheen, om al het aardse af te leggen en zich te lauteren. Deze tijd na het overlijden is volgens Steiner het werk in het Kamaloka, het oord van de begeertes ( Kama: begeerte, Loka: oord). Een voorbeeld uit de therapie In mijn reïncarnatietherapie praktijk leer ik deze regionen van
het dodenrijk steeds beter kennen. Een voorbeeld daarvan: Patiënte (K): Wij zijn net verhuisd, de ouders zijn druk bezig
met de nieuwe woning. Alles is nieuw, ik ken nog niemand. Ik ben nu
heel eenzaam. T:..........als het weer dag word, stijg je misschien met een lantaarn naar de zolder en onderzoekt wat je daar bang maakt. P. (K): Goed, als je dat vind, doe ik dat.... Ik zie oude meubels,
dozen. En daar de donkere hoek - daar is het, zoals ’s nachts,
in de gordijnen..... P.(K): Het blauwe mannetje....het straalt licht uit, blauw... T: En zeg eens, hoe ziet het eruit, wat zeggen de oogjes? Het blijkt, dat de grootmoeder relatief jong stierf, zelfs voor haar vijftigste levensjaar. De patiente was haar eerste kleinkind, dat ze zeer liefhad. Haar einde was smartelijk, vooral ook omdat haar man tijdens haar zware ziektebed troost bij een andere vrouw gezocht had. De grootmoeder voelde zich buitengesloten en eenzaam; ze hoorde er niet meer bij. Als nu alleen het kleinkind, zo lief en onschuldig, zo’n lot maar bespaard mocht blijven. Zodra ze gestorven was, probeerde ze het kleinkind te behoeden: zij moest het goed hebben, niet in de steek gelaten worden. Door de therapiesessie voelt de grootmoeder zich eindelijk ‘gezien’ en ‘erbij horend’, het onverwerkte wordt zo verwerkt. Aan het einde nemen beiden gelukkig van elkaar afscheid. De grootmoeder – dit deel van haar ziel – gaat ‘in het licht’. Met de patiente, die zich al zeer ‘opgelucht’ toont, word nog verder gewerkt. De duidingspoging Wat hier plaatsvond, noem ik ‘Kamaloka-werk’. Het imaginatieve
bewustzijn splitst ons in twee personen ( zie daarover ook de uitweidingen
van Rudolf Steiner over de kennis van hogere werelden in zijn werk Wetenschap
van de geheimen der Ziel), in dat, wat we in de therapie ‘elliptisch
bewustzijn’ noemen. Het normale verstand van het alledaagse-Ik
blijft daarbij aanwezig en mengt zich af en toe storend, soms ook behulpzaam,
ertussen. De imaginatieve ziel beleeft zich in het kind, weet echter
tegelijkertijd, wat het dwergje denkt en zegt, ze kan bij het raam of
op de zolder in de woning van vele jaren terug gaan en met de overleden
grootmoeder spreken. Tijd is voor haar als een ruimte en ruimte is voor
haar innerlijkheid. Verborgen wereld Niet alleen de wetten van tijd en ruimte zijn hier anders als in de zintuigelijk grijpbare wereld; er is hier geen dood, in plaats daarvan is er metamorfose, transformatie. Daarom kon, toen het mannetje zich als ‘jong’ voorstelde, naar zijn vroegere ‘gestalte’ gevraagd worden. Deze wereld van het Kamaloka is de zielenwereld, de wereld van overledenen, maar ook de wereld van sprookjes, mythen, legenden en sjamanenreizen. Het loont zich, hun wetten te leren kennen. Daarbij is het bijvoorbeeld belangrijk te weten, dat de Kamaloka-wereld niet pas na onze dood begint. Alleen vanuit zintuigelijk-materiële tijdsbeleving uit gezien zou dat zo zijn. Er zijn echter eeuwigheidsperspectieven. Een wezenlijk deel van ons ( het geestelijke, ons Ik) hoort deze eeuwigheid toe. Daarom kan ik weten en ervaren, hoe verleden en toekomst in het heden aanwezig zijn. Ook het Kamaloka is nu. Geestwereld, zielenwereld, aardenwereld- ze werken in elkaar door. Maar hoe leren we ze kennen? De natuurwetenschap, die ook voor de huidige geneeskunde de grondslagen geeft, kent maar één wereld; de stoffelijke. Gestorvenen zijn vanuit deze zienswijze op de wereld alleen orgaangrondstoffen of afval. In praktisch alle culturen vinden we daarentegen een weten over de drie werelden: de namen ervoor zijn niet altijd dezelfde, maar de indeling in een onderwereld, waar de doden doorheen gaan, die door demonen en gedrochten bevolkt wordt, en een hogere wereld van goden en heiligen, is er altijd. Beschrijvingen, reisberichten en de geografie van deze werelden vindt men in de mythologien van de wereld – verzameld bijvoorbeeld in de grote encyclopedie van Larousse – maar ook in de dodenboeken van Tibet of Egypte. De Grieken kenden hun godenberg en het dodenrijk in de onderwereld met de Styx en de Lethe. In de Europese middeleeuwen verschijnt Kundri in de graalssage als demonisch onderwereldfiguur. De activiteiten van heksen, tovenaars, weerwolven en andere machtige wezens, verdwenen vanaf circa 1600 door de opkomende natuurwetenschap meer en meer naar de achtergrond. Deze beperkte het weten uitdrukkelijk tot de zintuiglijke wereld. Daardoor kwam het ook tot een breuk met het christelijke geloof, dat kommerlijk aan de helle- en hemelvaart van de heiland probeerde vast te houden. Het ‘weten van de werelden’ dreigde te verdwijnen. De verbreding van deze vernauwde wetenschapsbegrippen beschouwde Rudolf Steiner, de grondlegger van de geesteswetenschap, als zijn centrale opgave. In het begin van de 20ste eeuw beschreef hij de drie werelden en hun samenhang op een wijze, die ook begrijpelijk zijn voor degenen die ze niet uit eigen ervaring kennen. Deze inzichten werden gedurende de 20ste eeuw grotendeels gedragen door mensen, die geen bewuste bovenzinnelijke ervaringen hadden. Naast de praktische toepassingen in pedagogiek, geneeskunde of landbouw, werd hun kennis tot een soort theorie. Parallel daaraan voer de door natuurwetenschap gedragen maatschappij haar eigen koers. Verschrikkelijke catastrofes, wereldoorlogen, atoombommen en andere massavernietigingswapens, de bedreiging van het ecologische systeem; ze vloeien voort uit de verworvenheden van de moderne wetenschap en leiden zo onderhand tot toenemende twijfel aan de algemene geldigheid ervan. Nieuwe ervaringen Al in de oorlogsjaren 1917 en 1918 schilderde Rudolf Steiner de toehoorders van zijn voordrachten, wat voor betekenis de ervaringen van de, destijds door de oorlog, jong gestorvenen hebben . Hij sprak vooral over de ervaring, dat met het sterven het leven niet eindigt. Na de Tweede Wereldoorlog namen dit soort ervaringen nog eens toe; een generatie van mensen werd geboren, bij wie duidelijk hun ervaringen als oorlogsslachtoffer bewaard waren gebleven. Een vroeg afgebroken aardenleven leidt vaak tot een snelle herbelichaming; men heeft nog dingen te doen. Met name in het laatste derde deel van de 20ste eeuw begon men meer en meer zich vorige levens te herinneren; ook herinneringen aan zielenwerelden en geestelijke werelden, met de behoefte deze vervolgens met zijn medemensen te delen. Ervaringen van hogere werelden en een diep gevoeld heimwee naar deze nog half bewust beleefde werelden verbreidden zich meer en meer. In studies zoals ‘The complete quide to life after death’ van Carol Neiman en Emily Goldman (1994) en psychotherapeutische vakliteratuur wordt gepoogd, deze ervaringen wetenschappelijk te analyseren. Ook de boeken van Yonassan Gershom (Onmogelijke herinneringen, Reïncarnatiebeelden van de holocaust) horen in deze context.
De Zwitserse schrijver en antroposoof Albert Steffen bekommerde zich
levenslang over wegen naar verbinding met de doden. Bezorgd noteerde
hij in zijn dagboek: “Geen twijfel, de geesten van de overledenen
raken steeds meer van de levenden geisoleerd. De ahrimanische aardelaag
( Ahriman is de inspirerende geest van het materialisme, Red.) van
techniek laat ze niet meer dichterbij komen. Zo kunnen sindsdien de
nucleaire krachten daartussen komen. Ze kunnen niet meer werken zoals
vroeger. Daartoe zouden de levenden meer en meer de opgaven van de overledenen
moeten overnemen. Hier ligt een belangrijke opgave voor de scheppende
fantasie, die, als ze überhaupt nog een rechtvaardiging nodig denkt
te hebben, dit dient voor te bereiden. Van bijzonder belang is met name
het werk in de latere levensfasen.” Therapeute: Hoe kijkt de heks? P: Ze is niet gelukkig, zegt ze nu. Het ergste komt echter nog. De patiënte was de moeder van het kind en dacht dat ze haar kind uit de brandende woning had gered. Hoewel het er volkomen ongedeerd uitzag, was het dood. Het was gestikt. De moeder had dit niet kunnen verwerken. Ze voelde en begreep niets meer, hield alleen haar dode kind in de armen, tot anderen het van haar af namen. Alleen een ondoordringbare leegte bleef over. Pas nu, in de therapie, wordt ‘Kamaloka’ ervaren. Het diepe lijden, angst, verschrikking, schuld, verwijten van zowel het kind als de moeder worden nu door beiden ervaren, mee geleden, erkend en begrepen. Aan het einde is er geen heks meer, maar een kind. Liefdevol kunnen dan moeder en kind elkaar vergeven en afscheid nemen: weer vrij laten. Door dit deel van de therapie wordt de patiënte direct opgewekter, ze beleeft zichzelf niet meer als saai en lelijk. Eigenlijk is ze ook mooi. Het kind kon nu in het licht gaan, de patiënte, van haar last bevrijd, kon haar verdere aardeleven vormgeven. Wat is tijd? Puur materieel bekeken komt tijd op ons over als een lineaire ontwikkelingsgang. Een dood ding zoals een huis of een gereedschap verandert tijdens deze lineaire tijd, wordt oud, vergaat. Ook bij een plant is er dit langzamerhand ouder worden en vergaan, maar tegelijk vernieuwt ze steeds haar vorm en behoudt deze. Bij de plant als 'levende vorm' lijkt het alsof de tijdslijn zich kromt en in zichzelf terugkeert: er ontstaan cyclische vormen zoals in bladrozetten en bloemen; met name bij meerjarige planten kunnen ze spiraalachtige vormen aannemen.
De tijd is verbonden met ritme, met golven en omslagpunten. Je hebt dag- en nacht, zomer- en wintertijden. Alleen in de fysieke wereld loopt de lijn vanuit het verleden door het heden naar de toekomst. In de geestelijke wereld heerst de eeuwigheid. In de zielenwereld, het middelste rijk, vinden we alle tijdkwaliteiten: we kunnen zowel in de toekomst als ook in het verleden schouwen; tijd wordt hier tot eeuwigheid, eeuwigheid tot tijd. Zij werkt op het aardse als ritme in. Wat daar, in de zielenwereld, genezen wordt, wordt daadwerkelijk genezen tot in het verleden. Omdat de aarde de zon omcirkelt, laat zij tijd, laat zij ritmen, laat zij genezing in haar sfeer binnenkomen. In de mensheid kwam deze genezing door de grootste ‘bemiddelaar’, de heiland. Hij genas de mensheids-ziekte, omdat hij tot aan de wortels, tot aan de zondeval van Adam en Eva, tot de begintijden van de aarde terugging. Slechts dankzij deze makrokosmische genezing kunnen ook wij mensen genezen en door het zielenrijk en het dodenrijk heengaan, helemaal tot in het kleinste detail, stap voor stap. Zij voert elk mens naar zichzelf terug, tot zijn eenheid met zijn wezenskern. Gaandeweg vindt hij zichzelf en zijn eigen reeksen van aardelevens. Dat verbindt hem met de geestelijke wereld, met het licht.
Rudolf Frieling omschrijft als ‘Heiligen’ die mensen, die al op aarde zo door Christus doorstraald worden, dat ze op anderen genezend kunnen werken. Maar alle mensen dragen, meer of minder verborgen, dit genezen en de genezende kern in zich. Het verbindt ze met het goede, het scheppende, leidt tot idealen. Mensen, die al op aarde toegang tot deze innerlijke bron hebben, die hun liefde, vreugde en vertrouwen schenkt, zullen ook na de dood snel hun ware thuis vinden. Het ‘Ik’ is de as, die deze werelden verbindt. Het ‘Ik’ beheerst de verschillende soorten van bewustzijn. In de therapie spreken we van elliptisch bewustzijn en bedoelen daarmee, dat ons dagelijks wakkere Ik-bewustzijn altijd erbij is, als een soort brandpunt. Het is het ‘Ik’, dat zijn zinnelijke organen kan sluiten en zijn organen voor de zielenwereld kan openen. En het is ook in staat de organen voor de eerdere aardelevens te openen, waarvan de sporen nog dieper in de eigen organisatie ondergedoken zijn. Het verbindt al deze ervaringen door het vermogen, denkend te begrijpen. Tot slot nog een beeld van hulp vanuit de geestelijke wereld, afkomstig
van een overledene. Een patiënte had al jaren geleden een auto
ongeluk gehad en droeg nog steeds de lasten daarvan. “Het
zit nog in mijn lichaam” zei ze. In een zielenterugblik kwam
ze bij het moment van haar ongeluk en ervoer het volgende: “Ik hang als een grauwwitte lap naar voren, terwijl mijn
lichaam naar achteren slaat...” ( deze ervaring grijpt haar
zeer aan) Ze beleeft dan, hoe in het leeggeworden lichaam andermans
energie naar binnen gaat; de woede van een bij het ongeluk betrokken
autorijder. Dan echter: In een mantra van Rudolf Steiner spreken hoge geesteswezens tot mensen: Wek
in wereldetherverten, Schep
in tijdenwereldkringen Vraag
in eeuwige wezensdaden
Dit artikel werd in het Duits gepubliceerd in het maandblad Info-3 (nr 11-1999) Vertaling EB v Loon Aanvullende informatie is te vinden in het Zachariël-artikel: Samenhangen tussen zielenwereld en het leven na de dood Voor verdere raadpleging: |
|||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||