|
![]() |
| Zachariël> Artikel |
|
23/12/05 printversie:
Atlantis: berichten uit een actueel verleden (deel II) Ondergang en morgenrood Door M. Carolus Het misbruik van magische vaardigheden was de oorzaak van de ondergang van Atlantis. Marianne Carolus zet haar beschouwingen over het weer opduiken van oude motieven met een aantal, deels zeer opmerkelijke, reïncarnatie-ervaringen voort. De magie werd niet alleen in de natuur beleefd, maar ook in de bouwkunst
en in technische uitvindingen toegepast. Zo waren er mensen, die in
de bomen leefden, sterk met elkaar verbonden en met magische krachten
uitgerust. Zij kenden nog geen taal, maar vaak, vooral ’s avonds
in de schemering na de maaltijd, uitten zij zich op een manier die zich
nog het meest als ritmisch gezang laat omschrijven; een beetje zoals
wij dat van vogels of apen kennen, maar toch anders, omdat het reeds
mensen waren. Zij hadden grote moeite om op fysiek zintuiglijke wijze
te zien en voorwerpen waar te nemen. Steeds weer opduikende motieven betreffen het vliegen, zowel door bezoekers als leraren van andere planeten. Rudolf Steiner beschrijft, dat bepaalde mensenzielen in de Lemurische tijden ( het tijdperk in de geschiedenis van de aarde, dat aan de Atlantische tijd vooraf ging), toen het op aarde nog wild en ruw toeging, de aarde moesten verlaten en zich een tijdlang op verschillende andere planeten verder ontwikkelden. Destijds vormden maan en aarde nog een en hetzelfde hemellichaam. Steiner daarover: “Toen voor de scheiding van de maan van de aarde, de maankrachten in de laatste steeds meer verharding veroorzaakten, gebeurde het, dat door deze krachten onder de nakomelingen van de door de mensen op de aarde achtergelaten kiemen, deze zodanig waren, dat de uit de lichaamsvrije toestand terugkerende mensenzielen zich niet meer konden incarneren.” Hij beschrijft dan, hoe deze zielen naar voor hen passende planeten uitwijken, terwijl de door hen verlaten lichamen op de aarde bezield werden door die wezens, die dan de voorouders van de dieren werden.
Over de latere tijd, toen de maan zijn plaats in de baan om de aarde gevonden had, vertelt Steiner: “Wanneer de mensen op de aarde zich nu weer vermeerderden, was bij hun nakomelingen geen reden meer, waarom mensenzielen in hen zich niet zouden kunnen belichamen. Zoals de maankrachten nu werkzaam waren, vormden zich nu onder hun invloed de mensenlichamen doorgaans als geschikt voor de belichaming van de mensenzielen. En nu werden de zielen die voorheen naar Mars, Jupiter en dergelijke uitgeweken waren, weer naar de aarde toegeleid.” Het ging gedurende duizenden jaren zo, dat steeds weer nog ‘jonge’ , ‘vreemde’ zielen naar de aarde terugkeerden. Steiner daarover: “Toch bestond het mensengeslacht gedurende lange tijden uit deze door de omstandigheden veroorzaakte, beide mensensoorten.” Buitenaardse bezoekers? Auteurs als Berlitz of von Däniken wijzen altijd weer op sporen van buitenaardse bezoekers. Ook in de reïncarnatietherapie ben ik al meermalen op beschrijvingen van het vliegen en landen van ruimteschepen gestuit. Er zijn mensen, die bij hun regressiebelevenissen vertellen, hoe zij van hun planeet naar de aarde reizen. Soms komen zij van Mercurius. Dat kan met een ‘opgave’samenhangen, zoals zich om het ‘water’ van de aarde te bekommeren, of zich met ‘genezing’ bezig te houden. Ook van Uranus kwamen mensen. Vaak beleven deze zielen zich als hoogontwikkeld en kijken enigszins neer op de wilde ongeciviliseerde aardemensen. Tegelijkertijd verwonderen zij zich over de schoonheid van de aarde, die hun diep raakt, wanneer zij haar uit de ruimte naderen. Vaak wordt als eigenlijke reden om zich daar als ziel te incarneren, de mogelijkheid genoemd, alleen daar het ‘voelen’ te kunnen ontwikkelen.
Ik ontmoet in de therapie niet alleen zielen, die zich in een ‘buitenaards’ lichaam met een ruimteschip naar de aarde begeven, maar ook zielen zonder lichaam. Soms omschrijven zij zichzelf als lichtwezens, als licht- en ook als klankachtig, ook als geheel lichaamsloze ‘punten’ of ‘druppels’. Volgens de beschrijvingen komen zij vaak in groepen. Altijd betekent een aardse belichaming echter ook een tijdelijk isolement en een gescheiden raken van de groep. Soms, zo wordt verteld, lukt het om in geheel andere, veelal aardse samenhangen, elkaar weer te vinden. Begin van het karma Wanneer men deze feiten leert kennen, vindt men dat het zich bij allen,
zowel bij de zich op belichaming voorbereidende ‘ruimtevaarders’,
als bij de lichaamsloze zielen, om het begin van een reeks aardse incarnaties
gaat, die door het karma scheppend wordt vormgegeven. Daarbij vormt
de eerste aardse incarnatie, meestal in Atlantis, het begin van het
individuele karma. In de therapie spreken wij ook wel van het ‘oer-trauma’. Een derde ziel was eigenlijk nog niet ‘rijp’, maar sloot
zich bij een groep zielen aan. Toen zij op de aarde kwamen, meende zij
van de groep te vernemen: “Neem jij nu, wat over blijft!”
Toen zij echter probeerde in een menselijk lichaam te trekken, was dit
echter al ‘bezet’. Zij steeg weer in de lichtwereld op.
Shirley Andrews omschrijft in haar boek 'Atlantis en Haar Beschaving’
iets van de technische verworvenheden van de Atlantiërs: „Tot
de luchtvaartmogelijkheden in de opeenvolgende beschavingen van Atlantis
behoorden solovliegtuigen, passagiersvliegtuigen en zelfs vaartuigen
die zowel boven als onder water konden vliegen.“ Zij beschrijft
bovendien „levitatieschijven“ en meent, dat de
vliegende tapijten uit de sprookjes van 1001 Nachten waarschijnlijk
een herinnering daaraan bevatten. In de Atlantisherinneringen uit de therapie vindt men naast de technische
verworvenheden ook die van de magie. Beschreven worden onder andere
zwaartekrachtopheffende activiteiten met reusachtige steenblokken voor
de pyramidenbouw. Ook wordt beschreven, hoe men door magische rituelen
op de aarde afkomend meteoorgesteente exact naar bepaalde plekken op
de aarde gestuurd had, waar ze vervolgens benut werden. Hoe is nu deze
wijze van magie bedrijven uitgemond in 'zwarte’ magie? Sexuele ontsporingen, mensenoffers, kwellingen, het martelen en doden van mensen; dat was het gruwelijke gebeuren in de laatste tijd van Atlantis en de oorzaak van de catastrofes. Steiner schrijft in zijn 'Wetenschap van de Geheimen der Ziel’: „En omdat de groei- en voortplantingskrachten dan, wanneer zij aan de moederbodem onttrokken en zelfstandig toegepast worden, in een geheimzinnige samenhang staan met bepaalde krachten die in lucht en water werken, zo werden door de daden van mensen geweldige verderfelijke natuurkrachten ontketent (...)Waar de verdorvenheid van de mensen zich met name daardoor deed gelden, dat bovenzinnelijke krachten in dienst van lagere driften (...) werden gesteld, daar werden wanstaltige, in grootte en vorm groteske mensengestalten gecreëerd.“ Hij beschrijft verder, hoe mensen onder invloed van wezens raakten die de geest afwezen en waarvan hun leider later in de (post-Atlantische) Perzische cultuur Ahriman werd genoemd. „Door deze invloed kwam de mens na de dood onder invloed van krachten, die hem ook daar alleen als een wezen deden verschijnen, dat puur gericht is op de aards-zintuiglijke verhoudingen.“
Andrews vertelt, hoe de priesters uit die tijd zich niet langer met
hogere geesteswerelden, maar alleen nog met wezens uit lagere astrale
regionen en uit de 'onderwereld’ konden verbinden. De zich daar
bevindende demonen leerden hen verschrikkelijke daden tegen de bevolking
te begaan, waardoor zij macht en rijkdom verwierven. „Om de
toorn van de goden en de demonische geesten, die door deze priesters
ontketend werden, van zich af te houden, offerden ouders hun eigen kinderen
of scheurden het kloppende hart uit de borst van levende medemensen,
om het te offeren (...)“ Het vermoeden van een antwoord bevindt zich in het vierde mysteriedrama
van Rudolf Steiner en wel in samenhang met de daar gethematiseerde ondergang
van de Egyptische mysteriën. Ook in het oude Egypte werd het op
een gegeven moment 'zwart’ in de mysteriën. Een allereerste
begin van het verval van deze hoge mysteriën en de gevolgen daarvan
voor de betreffende personen wordt door Rudolf Steiner in dit vierde
drama beschreven. „Erken, hoe ook in de val, En aan deze woorden voegt haar moderne 'leraar’uit de 20e eeuw, Benedictus, toe: “Je riep mij tot je met je eigen woorden.- Vervolgens begrijpt Maria, dat deze inwijdingstraditie ten einde moest komen: „Het morgenrood der schoonheid, die als nieuwe zon Ook de ondergang van Atlantis was voorzien. Daaraan was reeds de Lemurische
vuurcatastrofe voorafgegaan en de in de Bijbel beschreven zondeval met
(aansluitend) de broedermoord door Kain. De Indiërs en de oerbewoners
van Amerika wisten van 'werelden’, die aan de Atlantische tijd
vooraf waren gegaan. Elementaire vaardigheden Het grootse, wat in de atlantische tijd gepresteerd werd, ligt in de inrichting van een techniek met behulp van de instroom van degenen die zich in andere planeetsferen hadden opgehouden. (Zoals hiervoor uiteengezet. EB) Dit maakte het mogelijk om bijvoorbeeld de vandaag als leylijnen bekend staande vormen of de ‚drakenwegen’ te scheppen. In samenhang met het aardmagnetisme en sterrenconstellaties ontstonden zo kaarsrechte straten, waarover men als het ware 'gedragen’ werd. In haar roman 'Vermogen en Wijsheid’ beschrijft Hobb een weg die zo functioneerde. Nog in onze tijd ondervinden pelgrims naar Santiago de Compostela, zoals Shirley MacLaine, een vergelijkbare werking. Ook de geneeskunst van Atlantis was hoogontwikkeld; deze speelde zich voor een deel in pyramiden af. De Atlantische bouwwerken, zowel de als pyramiden beschrevenen, als de vaak genoemde koepelbouwwerken, bestonden meestal uit een nu niet meer bestaande substantie. Veelal wordt nu in de herinneringen gezegd: „ach, ik zeg nu 'steen’, maar dat is alleen, omdat er enige overeenkomst met de tegenwoordige stenen is, het is echter wit gekleurd, nou ja, tegenwoordig zou men het steen noemen, maar ik weet niet, wat het is..“ Steeds handelde het zich bij deze cultuurprestaties zowel om magische alsook om fysieke handelingen. Rudolf Steiner, die zijn helderziende onderzoekingen tot ver voor de Atlantische tijd uitbreidde, beschrijft, hoe de mens in de voorafgaande Hyperborese en Lemurische tijden, zich überhaupt pas een lichaam verwierf en, daarmee verbonden, eigen ruimtelijkheid, eigen grenzen en het rechtop staan. Het zich oprichten betekende een enorme inspanning. Dat is aan de evolutie van de dierrijken (waarbij dinosaurussen een wezenlijke rol speelden) goed af te zien. Met reuasachtige krachten ontwikkelden zich het warme bloed en de benen, die het lichaam rechtop dragen konden. De begintijden van Atlantis kennen nog de strijd tegen de dinosaurussen. Menselijke taal was er aanvankelijk nog niet. Tegenwoordig horen wij soms, hoe de kleine kinderen in de wagen of in de box de klanken oefenen, voordat zij de eerste 'echte’ woorden spreken. Dit vaak wonderschone, melodieuze, innerlijke 'proeven’ van de vocalen en consonanten, dat duurde destijds het hele leven van geboorte tot en met de ouderdom. En net zoals nu het kleine kind de moeder (en anderen) 'begrijpt’, zowel op grond van de emotionele kleuring van de tonen als door de lichaamstaal, zo ging het destijds ook tussen volwassenen onderling. Men spreekt in deze samenhang vaak van 'gedachtenoverdracht’.
Nader beschouwd is het echter eerder een meebeleven en –ondervinden,
als een licht versmelten van de zielen, dat meer omvat dan alleen de
op zich eenvoudige gedachten; ook de wensen en behoeften werden zo 'overgedragen’. Alles wat de Atlantiërs ontwikkelden: bouwwerken, wegen, techniek, kunst en taal; dit alles was geschikt om ze meer en meer boven de dierlijke levensvormen te verheffen. Zij leefden in groepen en beleefden zich, net als de dieren, als behorend tot groepszielen. Menselijke groepszielen zijn nu een fenomeen dat juist ook door Hobbs indrukwekkend wordt beschreven. Ik meen daarom, dat haar 'fantasie’, net zoals Moenin Nederlander het voor de boeken van Tolkien aanneemt, feitelijk tot in Atlantis teruggaat.
Zij beschrijft 'draken’ die door ingewijden uit bepaalde 'stenen’ in reusachtige vormen exact uitgesneden worden. Dan worden deze 'opgevuld’ met zielesubstantie, met alle mogelijke ziele-ervaringen, en met levenskracht, die uit warm menselijk bloed of ook uit zweet wordt opgebouwd. Daardoor komt de draak tot leven en verheft zich met zijn machtige vleugels. Door de koning bereden, beschermd hij zijn groep of zijn volk. Hier betrof het witte magie, in zover het om het vrijwillige offer voor het ware, schone en goede in dienst van het volk ging. Al het lijden van lichaam en ziel, dat zo aan de draak werd geschonken, overdekte hem met wonderlijke kleuren en krachten. De menselijke groepszielen werden 'opgebouwd’ en gehandhaafd door ingewijden en geestelijk leiders ter bescherming van de sociale en culturele ontwikkeling van de groep. Ervaringen uit Atlantis Zo wordt gaandeweg zichtbaar, wat verworven werd en wat verloren moest gaan. Atlantis-belevenissen uit de regressies worden zo langzaam begrijpelijk. Hiertoe een voorbeeld: Een meisje oefent zich in diermagie: allerlei diersoorten laat zij
inslapen en zo mogelijk weer ontwaken. Zij bespeurd daarbij grote verschillen,
die met de verhoudingen tussen de zielen en hun levenslichamen samenhangen.
Op een dag komt een vreemdeling langs. In zijn oergeschiedenis schrijft Emil Bock hierover: „Alle
overleveringen tot en met het huidige gebruik van het woord sodomisme,
leiden tot de conclusie, dat in het gebied rond Sodom niet alleen sprake
was van het ontketenen van dierlijke driften, maar dat zelfs een vermenging
van mensen met dieren en het telen van een ras van diermensen gaande
was.
Als een zoutpilaar, zo werden ook de mensen, die door de Atlantische
magiërs 'betoverd’ werden. De verschillende 'ooggetuigen’-verslagen,
die wij over Atlantis hebben, tonen deze afwijkingen, waarbij op dwingende
en zelfzuchtige wijze met de destijds nog losse ziele- en levenslichamen
werd omgegaan. Het is welhaast een wonder, dat zich na de ondergang
van Atlantis mensen in plaats van gedrochten ontwikkeld hebben! Dat dan een evenwicht binnen de ziel tussen het (vogelachtige) denken, het (leeuwachtige) voelen en het (stierachtige) willen bewerkstelligd werd, zoals het in de sfinx-gestalte tot uitdrukking komt, een evenwicht, dat tot grondslag voor het denken kon worden, dát was het gevolg van het tweede offer. Het rijden van de luchtdraak, het sturen van de ziel, dat was hetgeen, wat de Atlantische mens dan toch nog leerde. Daarvoor offerde hij zijn magie. Hij kon dat doen, omdat hij dit van de engel leerde, die zich aan Christus geschonken had. Christus was het, die zijn wezensdelen reinigde. Het offer van de magie en de helderziende wijsheid was nodig, om zich als mens, als vrij en individueel wezen verder te kunnen ontwikkelen. Wat zich aan magische vaardigheden en onzelfstandige wijsheid niet offerde, kon alleen nog ontsporen en zichzelf zo vernietigen. Ooit werden mensen geofferd en er was ook een tijd, waarin mensen dit als 'goed’ beleefden. Zij beleefden alles, wat ze om te leven van de goden ontvingen, zoals goed en voldoende voedsel, als geschenken. Daarom waren zij bereid, op hun beurt geschenken aan de goden te geven. Zij waren er daarbij zeker van, dat zij alleen hun lichaamshulsel te verliezen hadden en beleefden de daarbij vrijkomende ziel als veredeld en van een grote schoonheid, omdat deze iets kostbaars geschonken had. Maar al te makkelijk dreigt daar echter de overgang naar een gemanipuleerd worden door de priesterklasse. Een 'vrijwillig’ tempel-offer met een eropvolgend zaligheidsbevinden (dat iemand van te voren wijsgemaakt werd) verwordt dan als snel tot hoogmoed. De verantwoording voor het eigen aardeleven met de daarmee verbonden arbeid en de band met de medemensen wordt afgewezen. En juist ook daar, waar dwang, macht en angst een rol spelen, lijkt het misschien van buitenaf hetzelfde offer, innerlijk wordt het echter zwart. De magie verdween in die mate, waarin de krachten voor het spreken en de omgang met de fysieke materie, voor de dagelijkse arbeid, vrijkwamen. Het helderziende waarnemen trok zich terug, in de mate waarin het levenslichaam zich concentreerde om het zintuigtuiglijke tastbare waar te nemen, te begrijpen en te benoemen. Het verbond zich meer en meer met de menselijke hersenen. Het hoofd werd vaster, evenals het bottenstelsel. De mens concentreerde zich, 'reinigde’ zich van het overbewegelijke vloeibare en nevelachtige. Hij hield zich steeds meer vast aan de vaste voorstellingen , die op
basis van het fysiek-zintuigelijke waarnemen ontstonden. Het 'vernietigen’
van de beelden, zowel de puur zielsmatige als de beelden die in de zintuigelijke
stoffen of kleuren weergegeven worden, zet zich nog lang na de Atlantische
tijd voort. De mensheid bevrijdt zich van de oude beeldenwijsheid en
zoekt het pure denken. Eeuwen voor het optreden van Christus behoort
dit reeds tot het jodendom, later tot de islam. Het van alle beeldende wijsheid en magie gereinigde, 'dode’denken was juist de bodem, het kristal, waar het Ik geboren kon worden. Hier vond het zijn anker en aangrijpingspunt. Ook deze belevenis werd pas voor alle mensen toegankelijk, nadat Jezus het had voorgeleefd en Christus zijn vierde aarde-offer had gebracht. (Het eerste offer heeft plaatsgevonden in de Lemurische tijd, het 2e en 3e in Atlantis. EB) Rudolf Steiner heeft in veel van zijn boeken en voordrachten uiteengezet, hoe pas daardoor voor de mensen 'de weg terug’, de verbinding met de geestelijke wereld, maar nu op basis van een vrij Ik, weer toegankelijk werd. Dat betekent, dat een nieuw, wakker beeld-denken ons huidige morgenrood begeleiden zal, waarbij wij beginnen de verantwoording ervoor te dragen om te weten wat wij doen. Dit artikel werd eerder gepubliceerd in Info3, najaar 2001 Voor de literatuurlijst: zie deel I |
|||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||